Nies Medema:
HET GEHEIM VAN MEVROUW LI, PORTRETTEN VAN CHINESE VROUWEN

[titelblad] [inhoudsopgave]
[enkele cijfers over Chinese vrouwen]
[bibliografie] [colofon]
[het boek bestellen bij uitgeverij Ravijn]

De wraak van madame Zhao

De Volksrepubliek China heet een klassenloze maatschappij te zijn. De klassen in de trein heten daarom geen klassen. Er zijn 'zachte slapers': luxe coupés voor vier personen, met zachte bedden en kleedjes op tafel en een wagenbegeleidster die regelmatig komt kijken of het hete water in de thermoskan al op is. In deze 'zachte' slaapwagons reist het partijkader of de buitenlanders.

De gegoede middenklasse reist met de 'harde slaper': een rij stapelbedden van drie verdiepingen in een wagon, met dekens en een handdoekje voor op het kussen en een thermoskan voor elke eenheid van zes personen, die iedere reiziger naar believen kan bijvullen.

Voor Chinezen die nog wat minder gelijk zijn, is er de 'harde zit'-wagon. De bankjes daar zijn of zo breed als een gemiddelde romp, of net iets breder. Liggen is er meestal sowieso niet bij in deze wagons. Vaak zitten ze stampvol. De bankjes zijn bedoeld voor twee of voor drie personen.

Je moet er snel bij zijn als je water wilt. Slechts drie of vier keer per dag wordt er een ketel opgestookt in deze wagons. Als je iemand ziet lopen met een jampotje kokend water, ben je meestal al te laat. Er heeft zich dan een lange rij gevormd in de wagon, voor die ene ketel. Wie beleefd achteraan sluit krijgt geen druppel meer en moet wachten tot er, twee of vijf wagons verderop, een andere ketel verhit is.

In de rij staan mannen, met gebreide jumpers, in legergroene jasjes, op gymschoenen, allemaal met een jampotje of een plastic fles in de hand. Een gladde hals boven een rafelig wit boord, een oude nek met een ruitpatroon van rimpels. Als de trein onverwacht schokkend remt schieten handen in een reflex opzij naar de hoge groene banken.

In een hok tussen twee wagons verdringen vier boeren zich om het kraantje onder aan de buik van de ketel. Een man met een vaalblauwe pet stoot zijn elleboog naar achteren. Een trap tegen zijn enkel. Woest draait hij zijn hoofd om. Twee nijdige zwarte ogen kijken een kort ogenblik in de mijne.

Terwijl ik me probeer vast te houden aan de deurpost van het ketelhok, trekken de mannen aan mijn broek en overhemd. Het lukt niet lang om mijn beker onder het kokendhete straaltje te houden. Ik brand mijn vingers en laat de thermosbeker vallen. Pets! Zilverige scherven glimmen tussen de poten van de ketel.

Twee mannen trekken me weg om hun jampotjes onder de straal te houden. De man met de pet grijnst.

Als ik weer alle wagons ben doorgelopen en aankom bij mijn bank, is de plaats bezet door een dikke vrouw met een zwarte, wijde broek en een groen vest. Ze wuift zich koelte toe met een stuk krant. Haar bovenarm trilt mee. Ze lacht naar me. Haar kunstgebit is iets te groot.

'Zo, daar ben je dan,' zegt ze.

Madame Zhao heet ze. Ze heeft in de slaapwagons opgevangen dat er een buitenlandse vrouw alleen in de trein zit en wilde dat zelf wel eens zien. Ze kijkt naar mijn kapotte thermosbeker. Ik leg uit hoe dat komt.

'Chinezen zijn onbeleefd,' concludeert madame Zhao.

'Er is te weinig water voor zoveel mensen,' zeg ik.

Madame Zhao leunt achterover. 'Zo is het. We moeten vechten voor een plaatsje.'

Zij kan het weten, blijkt. Ze kan zich nu een plaats in een slaapwagon permitteren, maar haar positie heeft ze niet zonder slag of stoot gekregen. Ze heeft eelt op haar ellebogen, zegt ze. En eelt op haar ziel.

Madame Zhao is op weg naar haar huis in Lanzhou, waar de straten nu al twee weken blank staan vanwege aanhoudende regen. Ten zuiden van Lanzhou zijn aardverschuivingen geweest en mensen verdronken of bedolven onder de modder. Er rijden geen treinen meer, alleen nog bussen.

Om bij het huis van madame Zhao te komen moeten we een groot aantal natte stegen door. Ze geeft haar grote bruine tas aan mij en duwt de vaalgroene poort open. De dakgoot is stuk. Dikke stromen water kletteren op de grijze stenen van de binnenplaats. Zij woont in de linker kamer, wijst ze. In die ertegenover woont haar oudste zoon met zijn gezin, daarnaast slaapt de jongste zoon.

In de kamer staat een tv, een videorecorder en een spelcomputer, twee skaileren groene bankstellen en op de grond een paar autozittingen. Nadat ze haar natte jasje heeft opgehangen aan een spijker, gaat madame Zhao zuchtend en steunend zitten op de punt van zo'n autostoel, wijdbeens. Haar zware borsten hangen tussen haar knieën.

'Mijn leven,' zegt ze, 'is een lange weg vol ellende.'

Madame Zhao is ongeveer zestig jaar geleden geboren. Ze groeide op in dit huis. Haar echte ouders heeft ze nauwelijks gekend. Ze vermoedt dat haar moeder een arme vrouw was van het platteland. Misschien had haar man haar in de steek gelaten, of waren ze hun land kwijtgeraakt.

'Ze stond hier altijd op het hoekje te bedelen, bij die winkel. Ze heeft me achtergelaten bij mijn stiefouders toen ze niet meer voor me kon zorgen en is vertrokken zonder haar naam te zeggen. Mijn stiefouders waren gevlucht na de Japanse invasie in 1937, ze kwamen uit het noorden, bij Harbin in de buurt. Mijn stiefmoeder hield veel van me. Ik was toen heel gelukkig.

Maar toen ik acht was moest ik gaan werken. Zo ging dat in die tijd. Vijf jaar later deed ik het hele huishouden. Mijn stiefmoeder, haar zussen en mijn grootvader waren verslaafd aan opium. Ze lagen de hele dag op bed uit lange pijpen te roken. De familie was niet rijk genoeg om alle opium te kunnen betalen en we werden steeds armer. Als ik niet voldoende eten mee naar huis bracht, sloeg mijn stiefvader me.'

Madame Zhao wrijft met haar grote hand over haar gezicht. 'Maar er was niet genoeg geld, er was nooit genoeg.'

Madame Zhao's stiefvader was adjudant bij de Guomindang, het nationalistische leger van Chang Kaishek. Hij werd werkloos toen China bevrijd werd in 1949. Madame Zhao kreeg een baantje in een legeronderdeel voor meisjes. De groep werd ingezet in fabrieken en op het land. Zo ontmoette ze haar man Li, die werkte op een fabriek voor verwarmingsbuizen.

'We trouwden en hij trok bij mij in. We hadden zijn geld hard nodig. Mijn vader verkocht pinda's in die tijd. Hij was veroordeeld vanwege zijn Guomindang-verleden. Mijn stiefmoeder werd erg ziek en ging dood. Al haar kracht was opgegeten door de opium.

Onze oudste werd geboren toen de Campagne van de Honderd Bloemen begon, in 1957. Mao riep iedereen op om kritiek te geven op het functioneren van de partij. Vanwege de kritiek die Li toen leverde en vanwege mijn vaders achtergrond leefden we 24 jaar in ellende. Li werd meteen gevangen gezet bij de eerste anti-rechtsencampagne. Mijn vader kreeg geen werk vanwege zijn achtergrond.

Wat kon ik doen, als vrouw alleen met een klein kind? Ik werkte als schoonmaakster om in leven te blijven. Later deed ik met hulp van een vriend het examen bij de buscentrale. Toen kon ik kaartjesverkoopster worden. Mijn eerste salaris was zestien yuan per maand. Daar moest ik mijn vader, mijn zoon en mezelf van onderhouden. Bijna negen jaar lang, tot Li vrijkwam, in 1965. We leefden een jaar gelukkig samen en kregen een tweede zoon. Toen begon de Culturele Revolutie.

Li werd naar een werkkamp op het platteland gestuurd. Wij bleven hier achter. Mijn vader werd gedwongen om straten te vegen. Hij kreeg er niet voor betaald. Ik werkte zo hard als ik kon om de bonus te verdienen. Ik werkte op zondagen, vaak twaalf uur per dag, terwijl een normale werkdag op de bus vijf uur is, omdat het werk erg inspannend is.'

Er rolt een traan over haar wang. Madame Zhao haalt haar neus op en wrijft driftig over haar gezicht.

'Als vrouw van een gevangene had je geen enkel recht. Niemand hielp me. Bij elke nieuwe campagne werd ik weer gehaald. Ik moest misdaden bekennen. Ik moest me laten scheiden, zeiden ze, om te laten zien dat ik niets fout gedaan had. Ze schreeuwden dat ik niets was, een hond. Iedereen was bang voor zijn eigen hachje. Hoe harder ze schreeuwden en mij sloegen, hoe trouwer aan de partij. Je wist nooit wanneer je zelf voor de bijl ging.

Ik wilde niet scheiden, mijn zoons hielden zijn naam. Op school moesten ze de hele dag met gebogen hoofd zitten. Elke dag zag ik ze minder waard worden. Ze voelden zich slecht, terwijl ze nooit iets misdaan hadden. Ik wilde dood. Toch moest ik doorgaan, voor hen. Ik was zelf zonder ouders opgegroeid, dat wilde ik ze niet aandoen.'

Madame Zhao begint hard te huilen. Ze pakt een kleine handdoek om haar tranen af te drogen. Verontschuldigt zich. Snuit knetterend haar neus. Verontschuldigt zich nog eens.

'Ik ben slachtoffer van een verkeerde politiek. Ons persoonlijke lot is het noodlot, maar het lot van China is het gevolg van een leider die grote fouten heeft gemaakt. De leiders hadden geen vertrouwen in de mensen, ze speelden ze tegen elkaar uit. En de mensen hadden geen vertrouwen in elkaar.'

De deur van de kamer gaat een eindje open en een dikke jongen van een jaar of tien kijkt om het hoekje.

'Kom eens bij oma, schatje,' zegt madame Zhao door haar tranen heen. Ze drukt haar kleinzoon tegen zich aan.

'Hij is mijn enige hoop,' zegt ze, terwijl ze zijn haren glad strijkt. De jongen fluistert iets in haar oor.

'Natuurlijk, liefje, ga jij maar lekker spelen met de Nintendo,' antwoordt ze. Hij loopt naar de spelcomputer, zet hem aan en gaat op de bank hangen. Begeleid door elektronische bommen en mitrailleurvuur praat madame Zhao verder.

'Die jongen is al mijn hoop. Mijn kinderen hebben geen scholing, omdat er jarenlang op scholen niets gebeurde, behalve dazebao schrijven. Maar misschien kan mijn kleinzoon later naar de universiteit.'

Mevrouw Zhao verdient inmiddels meer dan tien keer zoveel als een academicus in staatsdienst. Langzaam heeft ze zich opgewerkt. Midden jaren tachtig begon ze op straat noedels te verkopen. Eerst maakte ze een straatkeuken van een oliedrum en een wok. In de oliedrum werden hout en kolen gestookt om het eten te koken. Toen timmerde Li een paar bankjes voor de klanten. Toen ze eenmaal beter verdiende, schaften ze zich een tafel aan. Al snel leverden haar noedels meer op dan haar werk. 'Ik hield mijn werk natuurlijk aan. Je kan nooit weten wanneer de wind weer draait. Heb je net iets opgebouwd, komt de volgende campagne. Raak je alles weer kwijt. Ik vertrouwde het niet, die vrijheid. Wie weet wanneer de volgende ramp uit de hemel komt vallen?'

En bovendien moest madame Zhao ook betalen voor haar plekje om te kunnen verkopen. De plaatselijke overheid wil meeprofiteren van de winst die ze maakt. Zelf de kleinste straatverkoop heeft een vergunning nodig. En die kan weer worden ingetrokken als het idee bestaat dat de handel concurreert met de overheidsdiensten.

Na haar pensionering, in 1987, was de noedelverkoop een welkome aanvulling op het magere pensioen. En langzamerhand werd ze ook minder bang voor een nieuwe campagne. Ze investeerde in beter kookgerei en vooral in guanxi, relaties. Haar vader had goede contacten, mensen die na jaren werkkamp weer gerehabiliteerd waren en nu belangrijke functies hadden. Een schenking aan een school, een donatie aan een zorgvuldig gekozen persoon, een bezoekje aan een partijlid waarbij je een goede fles maotai (sterke drank) of een zeldzame lekkernij meeneemt. Zo kreeg Zhao in 1989 haar eerste restaurant, in een van de hoofdstraten van Lanzhou.

Het gaat haar voor de wind. Binnenkort wordt het tweede restaurant geopend. Zhao verdient 3000 tot 4000 yuan per maand, tien keer een behoorlijk maandsalaris. 'We werken keihard voor ons geld. We hebben meer dan genoeg. Mensen vragen me of het zo niet genoeg is. Ik kan niet stoppen. Ik ga maar door met werken. Omdat ik die pijn nog voel. Die is nog niet weg. Ik moet bewijzen wat ik waard ben. Pas als mijn kleinzoon naar de universiteit gaat, ben ik tevreden. Nu hebben we alleen maar geld. Dan krijgen we ook aanzien.' Li en Zhao hebben alvast een schenking van 10.000 yuan aan de universiteit gedaan.

'Nu we geld hebben, kijken de mensen niet meer zo op ons neer. Mensen hebben respect voor geld gekregen. In het begin werden de mensen met eigen ondernemingen als minderwaardig behandeld. Dat gebeurt nog steeds, maar ik hoef tenminste niet meer bang te zijn voor honger. Zo langzamerhand krijgen we het respect dat we verdienen. Je vergeet niet wat er is gebeurd. Je vergeet nooit wie je dat heeft aangedaan. Maar ik heb één troost...'

De mond van madame Zhao plooit zich tot een voldane glimlach. Haar kleine ogen beginnen te glimmen.

'Die lui die me toen sloegen... Die vrouw die het hardste schold altijd... Haar man is verlamd. Hij heeft een ongeluk gehad. Ze hebben haast geen geld meer. Nu is het hun beurt. We zullen zien hoe goed ze kunnen lijden.'


[titelblad] [inhoudsopgave]
[enkele cijfers over Chinese vrouwen]
[bibliografie] [colofon]
[het boek bestellen bij uitgeverij Ravijn]
Nies Medema:
HET GEHEIM VAN MEVROUW LI, PORTRETTEN VAN CHINESE VROUWEN