Inhoudsopgave | Inleiding

Voorwoord

Netwerken is haast een levenshouding geworden voor sommige mensen, een 'virus' dat je nooit meer loslaat. Diverse mensen zijn al jaren bevangen door deze 'ziekte' en vormen tezamen een kleine groep van netwerkers die, met hun ideeën en contacten, mensen en organisaties aanzetten tot nieuwe projecten, nieuwe vormen van samenwerking, tot het eigenlijke netwerken. Een van degenen die deels bewust, deels onbevangen aan de totstandkoming van verschillende netwerkprojecten hebben gewerkt is Patrice Riemens. Patrice was al vroeg bij politieke netwerkactiviteiten betrokken als plannenmaker, duvelstoejager of manusje van alles, als majordomus tijdens het Seropositieven Bal in 1990, als deelnemer aan de in hetzelfde jaar gehouden Interdoc-conferentie en als keukenhulp tijdens het Hacking at the End of the Universe festival in de Flevopolder in 1993. Het zijn mensen als Patrice die, onzichtbaar voor het oog van de publieke aandacht, de ragfijne draden spinnen die netwerken tot zo'n krachtig web hebben gemaakt tussen maatschappelijke organisaties. Voor alle duidelijkheid: Patrice heeft zelf geen pc of modem. Voor het echte netwerken zijn die ook niet nodig.

Het was ook Patrice die, als voormalig directeur van Ravijn -- enige jaren terug al weer -- het idee lanceerde voor dit boek en een aantal mensen om de tafel bracht om met elkaar tot een werkconcept te komen. Vlak voor hij voor zijn zoveelste wereldreis -- ditmaal naar een hackersconventie in Argentinië -- vertrok, bespraken we de perikelen binnen diverse netwerken en verzuchtte hij dat zij nog te vaak bolwerken zijn in plaats van netwerken. Daarmee bracht hij ons onbedoeld maar treffend op het idee voor de titel van deze publikatie.

Enkele mensen zijn dermate belangrijk geweest bij de totstandkoming van dit boek, dat een speciale vermelding gerechtvaardigd en gewenst is. Met name geldt dat voor Bas Raijmakers die vanuit Ravijn als coördinator van dit project fungeerde, de opzet en teksten grondig met ons besprak en vaak de kluwen van aanzetten en concepten meehielp omvormen in naar wij hopen leesbare en begrijpelijke teksten. Zonder zijn indringende en stimulerende redactiewerk was deze publikatie wellicht nooit verschenen. Veel opvattingen die in deze brochure het daglicht zien, zijn in discussie met hem uitgekristalliseerd en in een waardevolle dialectiek gegroeid. E-mail speelde een belangrijke rol in onze samenwerking met hem (en trouwens ook anderen die stukken tekst lazen, becommentarieerden of leverden). Met name tussen ons drieën hebben heel wat concepten, commentaren en afsprakenlijstjes de netwerken doorkruist, als aanvulling op veel telefonische communicatie en enkele bijeenkomsten waar we met onze notebookcomputers voor ons op tafel vergaderden. (Als iemand ons dat een paar jaar geleden had verteld, hadden we het niet geloofd.) Speciaal vermelden we ook Renske van de Wall die als eindredactrice de tekst doorvlooide, talloze kleine en grote verbeteringen aanbracht en ons wees op inconsequenties en op jargongebruik waarvan we ons als computergebruikers nauwelijks meer bewust waren. Door haar commentaar is de lijst met jargon achterin met de helft toegenomen. Ferdinand Ex is als bureaumedewerker van Ravijn druk in de weer geweest met de financiering en begroting van deze brochure.

Boyd Noorda werd op de valreep bereid gevonden de eerste versie van een tekst te schrijven met praktische informatie over wat datacommunicatie nu eigenlijk is. De bijdrage van deze netwerker van het eerste uur is een waardevolle aanwinst voor deze brochure. De geïnterviewden waren bereid de teksten over hun activiteiten grondig door te nemen en werden regelmatig door ons lastiggevallen voor nadere verduidelijkingen. Van hen noemen we speciaal Maja van der Velden. Na ons eerste interview moest ze al weer snel naar het Midden-Oosten. Het verdere contact liep via e-mail. Zij bracht verbeteringen aan in een eerste versie van het hoofdstuk over netwerken in de Bezette Gebieden en zorgde voor aanvullingen door nieuwe ontwikkelingen te beschrijven, die vervolgens alleen nog met een tekstverwerker in de oorspronkelijke versie verwerkt hoefden te worden. Bovendien leverde ze de basistekst voor een aantal korte stukjes in dit boek. Een prettige en handige manier van samenwerken op afstand, die zonder e-mail onmogelijk was geweest. Gert van Velzen leverde gedetailleerd en uitgebreid commentaar op het grootste deel van de jargonlijst. Simon van Leeuwen las en becommentarieerde enkele hoofdstukken. Jo van der Spek stelde een radio-interview ter beschikking dat hij maakte met de vredesactivist Wam Kat in voormalig Joegoslavië. Alfred Heitink, Tjebbe van Tijen en anderen gaven nuttige tips voor een literatuurlijst en Tjebbe was bovendien behulpzaam bij het vinden van aardige informatiebronnen op Internet.

De vormgever Walter van der Cruijsen, zelf een fervent netwerker, heeft zich ingespannen om iets van de non-lineaire structuur van het Net in de vormgeving van het boek zichtbaar te maken. Zonder Mathilde ÁP's stone-agecomputer, die ze bouwde op de hackersbijeenkomst in 1993 in de Flevopolder, hadden we niet zo'n mooie omslagfoto van de hand van fotograaf Sake Elzinga gehad. Sommige mensen verluchtigen hun elektronische berichten met een fraaie uit toetsenbordtekens samengestelde ondertekening, waarvan we er een aantal uit Internetnieuwsgroepen hebben verzameld om ze te gebruiken als illustratiemateriaal. Daarnaast is geput uit de collectie van een andere verzamelaar, Harold Schellinx -- we hebben hem nog niet persoonlijk ontmoet -- die een deel van zijn verzameling via e-mail opstuurde. Allemaal enorm bedankt, ook de drukkers en iedereen die we zijn vergeten.

De ontwikkelingen op het gebied van datacommunicatie gaan razend snel en verlopen deels onvoorspelbaar. Aan een hoofdstuk over de toekomst hebben we ons niet gewaagd, het zou nu al achterhaald zijn. De meeste teksten zijn in de tweede helft van 1994 afgesloten. Sindsdien begon Noticias een Latijns-Amerikabulletinboard, staat XS4ALL op het punt een aantal inbellijnen in Zoetermeer te openen, zijn er weer diverse systemen bijgekomen en meer organisaties en individuen overgestapt op dit nieuwe medium. Voor sommige geïnterviewde groepen duimden we afgelopen voorjaar dat ze het najaar zouden halen, nu draaien ze weer heel goed. Het blad Konfrontatie daarentegen verscheen eind 1994 voor het laatst, een van zijn laatste activiteiten was de organisatie van een congres over links en de media, waar verschillende aanwezigen het belang van discussie op computernetwerken noemden. Ook NoPapers, deze zomer nog vol plannen en goede moed, sloot eind 1994 haar digitale poorten en zal niet meer verschijnen, noch op Fidonet, noch op Internet. Ze is ten onder gegaan aan onder meer een gebrek aan financieel perspectief en de bekende stabiliteitsproblemen van een vrijwilligersorganisatie in het no-nonsensetijdperk.

Grote ondernemingen op een veel wijder gebied van communicatie en informatie slokken elkaar op, gaan samenwerkingsverbanden aan of slijpen de messen voor de concurrentiestrijd rond de digitale snelweg. Wat het besluit van de PTT en andere kapitaalkrachtige ondernemingen om in 1995 Internet aan te bieden zal betekenen voor het voortbestaan en eventuele samenwerking van vele initiatieven van onderaf, de sfeer op de netwerken en de publieke toegang, daarover houden we ons hart vast. De politiek -- nationaal, Europees en buiten Europa -- ontwikkelt plannen. Terwijl nog geen jaar geleden Nederlandse politici werd verweten dat ze geen oog hadden voor de ontwikkelingen op het gebied van datacommunicatie, ligt er nu van regeringswege een Nationaal Actie Plan dat onder andere voortzetting van het politiek en openbaar debat over 'mogelijkheden en inrichting van elektronische snelwegen' beoogt (hoewel het nog de vraag is wie er aan dat debat mogen deelnemen). Vele en diverse groepen, met uiteenlopende belangen en opvattingen, proberen de ontwikkelingen te beïnvloeden.

Ten slotte: we willen dit boekje opdragen aan onze kinderen, Hanna, Daniel en Fabian, die het misschien in de toekomst ter hand zullen nemen vanuit een geheel ander perspectief. Waar zij zich nu nog verwonderen over wat hun vaders toch bezielt -- achter die computers en met die piepende modems -- zijn dan wellicht elektronische netwerken een vanzelfsprekendheid geworden, net als voor ons nu de telefoon, de tv en het openbaar vervoer. Het is echter zeer wel denkbaar dat de aard van de elektronische netwerken dan geheel veranderd zal zijn. We spreken hierbij de hoop uit dat zij, als mondige aardbewoners, deel kunnen nemen aan een vrije informatiecultuur -- zoals die nu nog op Internet leeft -- en dat zij nog iets terug weten te vinden van de houding dat netwerken begint bij betrokkenheid en niet bij een netwerkaansluiting.

Michael Polman
Peter van der Pouw Kraan
Nijmegen/Amsterdam, december 1994