2. De opkomst van maatschappelijke diensten en gebruikers in Nederland | Inhoudsopgave | 4. Antenna: netwerken in vooruitgang

3. Van bolwerken tot netwerken

Als een van de belangrijkste nieuwe technologieën van deze tijd worden de elektronische netwerken op grote schaal in de media als de 'Digitale Revolutie' aangekondigd. Deze brede publiciteit steekt echter schril af tegen de huidige zeer beperkte publieke toegang tot de nieuwe netwerktechnologie. Toch lijkt er iets plaats te vinden in die netwerken wat zowel de massamedia, actievoerders als multinationale ondernemingen als revolutionair menen te moeten zien. De eerste groep ziet de netwerken als totaal nieuwe media, de tweede benadrukt de ongekende mogelijkheden voor maatschappelijke emancipatie, de laatste lijkt gefascineerd door de profijtelijke toepassingen. Het is onwaarschijnlijk dat elektronische netwerken zowel emancipatoire als economische kwaliteiten bezitten. Desondanks gebeurt er iets in die elektronische netwerken dat met name maatschappelijke organisaties de afgelopen jaren massaal heeft doen besluiten zich deze technologie eigen te maken. Is het de technologie zelf of is het het netwerken als nieuwe samenwerkingsvorm tussen deze organisaties, dat zo'n aantrekkingskracht uitoefent? De technologie van elektronisch netwerken kent vele toepassingen, maar die van netwerkvorming tussen maatschappelijke organisaties lijkt, hoewel vernieuwend, nauwelijks belicht te worden in de golf van aandacht voor dit digitale fenomeen.

Het is niet eenvoudig zicht te krijgen op een technologie die zich in een revolutionaire fase bevindt. Technologische vernieuwing is een onomkeerbaar proces waarbij mensen stapsgewijs en pas ver na de eerste introductie toegang krijgen tot revolutionaire vernieuwingen. De mogelijkheden en implicaties die voorgespiegeld worden zijn meestal ongekend, maar blijven even vaak ook onbegrepen.

De uitvinding van de boekdrukkunst was een revolutie in historisch perspectief. Kennis kon, los van mondelinge overlevering, vastgelegd en op grote schaal verspreid worden. Dit is door de mensen die in die tijd leefden nauwelijks ervaren als een revolutie, toch droeg de uitvinding onder andere ook bij aan het einde van de feodale overheersing. Kennisverspreiding ondersteunde de opkomst van democratische denkbeelden, maar tegelijkertijd werden de oude elites door nieuwe vervangen, al groeide het aantal mensen dat bij de elites hoorde wel.

Het op grote schaal in gebruik nemen van de stoommachine werd niet met algemeen gejuich ontvangen. Ondernemers zagen na aanvankelijke scepsis wenkende perspectieven voor het goedkoper -- met minder arbeidskrachten -- produceren en transporteren. Voor de gewone mensen betekende het aanvankelijk een toenemend verlies aan werk en pas veel later toegang tot nieuwe transportmiddelen, zoals de stoomtrein. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van de lucht- en ruimtevaart. De burger kan zelfs sterk twijfelen aan de maatschappelijke relevantie van de hogesnelheidstrein, een tweede Schiphol of de aanleg van een Digitale Snelweg. De belasting die hij of zij betaalt voor deze infrastructuur is een investering die op korte termijn nauwelijks profijt op zal leveren. En of op lange termijn voordeel te verwachten valt van deze aderlatingen is nauwelijks door diezelfde burger uit te maken, als de achterliggende scenario's en brede toepassingsmogelijkheden vooralsnog onbekend en onbegrepen zijn.

Wat echter opmerkelijk is aan de opkomst van elektronische netwerken, is dat deze nieuwe technologie niet op de eerste plaats door overheid, bedrijfsleven of consumenten wordt toegepast, maar vooral door kleine en grote maatschappelijke organisaties. Ruim voordat het publiciteitsoffensief van de 'digitale revolutie' losbarstte, werkte een aanzienlijk aantal organisaties al dagelijks met elektronische netwerken. Maatschappelijke organisaties en veel individuele gebruikers maken bij voorkeur gebruik van communicatiesystemen die breed van opzet zijn. Zij zien zichzelf als actieve deelnemers aan een platform of forum dat functioneert als een markt en een ontmoetingsplaats. De technische mogelijkheden van elektronische netwerken sluiten goed aan op deze gezichtspunten. Op elektronische netwerken komen marktkraampjes voor naast zeepkisten, café's naast cocktailparty's en conferenties voor genodigden, en kiosken naast bibliotheken. Voor wie over grote afstanden wil communiceren is er een postkantoor met postbussen en brievenbussen, fax en telex, gratis folders en een reisbureau voor goedkope reizen. En vlak achter of naast het postkantoor is er vaak een station waar men in kan stappen in de hogesnelheidstrein die de aarde bereist. Voor ieder wat wils dus. Andere analogieën van de nieuwe virtuele wereld met de materiële wereld zijn de gratis kopieerwinkel, de kunstgalerie, de sexshop en de videotheek.

Meer nog dan bij andere media bepalen gebruikers van elektronische netwerken zelf de samenstelling van hun dieet uit het brede aanbod van nieuwsdiensten, bronnen en actuele discussies. Communicatie en participatie vindt plaats op grond van eigen voorkeuren of prioriteiten en is niet alleen beperkt tot wat door institutionele media wordt aangeboden. Elke belangenorganisatie kan op wereldschaal informatie verspreiden, elke gebruiker kan zelf een eigen omroep beginnen of een eigen virtueel 'dorps-plein' inrichten.

Informatie en communicatie mogen dan wel een grondrecht van iedereen zijn, verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, toch bevinden veel relevante informatiebronnen en spelen veel besluitvormingsprocessen zich af in besloten netwerken van instellingen, ondernemingen en de overheid. Toegang tot deze bolwerken van kennis en contacten lijkt voor een toenemend aantal mensen mogelijk te worden dankzij elektronisch netwerken. Deze nieuwe media vereisen echter ook dat gebruikers nieuwe kennis en inzichten bolwerken, zowel om toegang te krijgen tot de elektronische netwerken als voor het deelnemen aan de organisatorische netwerken die de nieuwe media gebruiken.


Naar het begin van dit hoofdstuk

De opkomst van de informatiemaatschappij

Elektronische netwerken zijn nieuwe communicatiemedia, gebaseerd op vele computers van groot tot heel klein die door middel van kabels met elkaar verbonden zijn. Maar 'netwerken' is ook een sociale activiteit en een organisatievorm. Netwerken als sociale activiteit lijkt nog het meest op het voeren van informele gesprekken tijdens borrels, in de kroeg of bij de koffieautomaat, met als doel een persoonlijk of gemeenschappelijk voordeel. Netwerken als organisatievorm staat voor een manier van samenwerken die wel 'transparant' genoemd wordt, omdat de hiërarchieën en vastgeroeste modellen van de bureaucratie ontbreken. Het is een manier van samenwerken waarbij je als het ware voortdurend afsteekpaadjes bewandelt en op een heel directe wijze tot oplossingen en beslissingen komt.

Deze veelzijdigheid maakt het begrip 'netwerken' welhaast ondoorgrondelijk. Vaststaat dat netwerken het centrale begrip en thema is van de sterk opkomende informatiemaatschappij, die in de vorm van digitale snelwegen op ons af lijkt te komen. Welke aspecten van netwerken het sterkst naar voren gaan komen, staat nog te bezien.

In de rest van dit hoofdstuk wordt, na een korte uiteenzetting van de technische infrastructuur die elektronisch netwerken mogelijk heeft gemaakt en de verdere ontwikkeling daarvan, vooral de nadruk gelegd op de diverse aspecten van 'netwerken' zoals ze hierboven omschreven staan. Daarbij is veel aandacht voor de wijzen waarop maatschappelijke organisaties en individuen nu al van elektronische netwerken gebruikmaken. Daarna komen de reeds in gang zijnde veranderingsprocessen op het gebied van economie, politiek en cultuur ten gevolge van de introductie van elektronisch netwerken uitgebreid aan de orde. Deze veranderingen worden nog nauwelijks belicht in de veelvuldige publiciteit, terwijl ze van fundamentele aard zijn.


Naar het begin van dit hoofdstuk

De technische infrastructuur

Er is sprake van een digitalisering en vergaande integratie van de informatie- en telecommunicatieinfrastructuur. Binnen enkele jaren zal er een kabel per woning zijn, waarover zowel computertoepassingen, videobeelden, radio- en tv-programma's alsook fax- en telefoonverkeer plaats zullen vinden. Computerprogramma's bieden daarbovenop nog de mogelijkheid de informatie verder te integreren of uit te wisselen. De derde belangrijkste component, naast digitalisering en integratie, is de interactie. Nu nog bestaan de meeste media uit het verkeer tussen twee personen of als massadistributie van centrale programma's.

Wehkamp is reeds gestart met een 'on line' versie van haar catalogus en bestelprocedure. Tv-kanalen met uitsluitend aanbiedingen en reclame zullen ook op de digitale netwerken klanten proberen te verlokken tot 'exclusieve' en 'voordelige' aankopen. Interactieve bestellingen moeten de verkoopkosten drukken en de consument het gevoel geven van een persoonlijke, op maatwerk gerichte benadering door de leveranciers. Daarnaast zullen de digitale netwerken ingericht worden voor het tegen betaling aanbieden van persoonlijk geselecteerde programma's zoals sportuitzendingen en speelfilms.

Interactie zal echter niet alleen terugkoppeling als onderdeel van nieuwe verkoopdiensten inhouden, het kan ook leiden tot individuele omroepen of oproepen. In principe bestaat voor iedereen straks de mogelijkheid om elektronische publikaties te verzorgen vanuit de huiskamer. Die publikaties kunnen tekst, geluid en beeld bevatten. Het huidige tv-kabelnet lijkt reeds geschikt voor dit soort interactief digitaal verkeer.

SURFnet is sinds enige jaren succesvol aan het experimenteren met het aanbieden van toegang tot Internet via de lokale kabel in Nijmegen. Voor vijftien gulden in de maand kan men met een bijgeleverd speciaal modem de eigen pc aansluiten op de kabel en zonder verdere kosten vrijelijk het Internet op. Dit 'Telemann'-project kan uitgroeien tot een succes door de dichte bekabeling in Nederland en de ervaring dat de bandbreedte van de kabel voldoende is voor honderden tv-kanalen en interactieve digitale toegang tot Internet.

Daarmee lijkt de noodzaak van een nieuwe infrastructuur voor het aanbieden van digitale netwerkdiensten overbodig. Uiteraard zullen ISDN en andere netwerkmogelijkheden via de glasvezelkabel efficiëntere vormen zijn van telecommunicatie en meer mogelijkheden bieden dan men zich nu reeds kan voorstellen. Nieuwe infrastructuur kost echter vaak meer geld dan men bereid is te betalen. Dienstenaanbieders en netwerkdiensten sturen erop aan dat de overheid moet bijspringen, maar vooralsnog lijkt zo'n stap een overbodige luxe als men met de huidige middelen voldoende mogelijkheden heeft voor een verdere uitbouw van de digitale netwerken.

In Nederland is maar een handvol organisaties -- veelal kleine stichtingen die de technologie van elektronische netwerken al vroeg herkenden als nuttig voor hun activiteiten -- betrokken bij het bieden van toegang tot de elektronische netwerken. Geen van deze organisaties is echter opgewassen tegen de sterk groeiende vraag van consumenten en bedrijfsleven om deel te nemen aan deze netwerken. Daarom worden inmiddels ook grootschalige projecten aangekondigd voor 1995, door onder andere de PTT en IBM, in een poging in te spelen op deze vraag. Opmerkelijk daarbij is dat ook diverse bestaande Internetdienstverleners hun stichtingen omvormen tot bedrijven.

Er komen nagenoeg wekelijks diverse nieuwe lokale systemen bij die koppelingen aan Internet aanbieden. Het gaat meestal niet om interactieve directe toegang tot de systemen of bronnen op het Internet, maar om uitwisseling van berichten en bestanden met het Internet. Deze trend zal ervoor zorgen dat net als er nu in elke middelgrote plaats meerdere BBS'en actief zijn, ook een of meer systemen Internetkoppelingen gaan aanbieden. Kortom, inbellen op Internet -- voor het publiek bereikbaar en binnen het lokale telefoongebied -- zal in de meeste plaatsen haalbaar zijn vanaf medio 1995.

Daarnaast wordt de publieke toegang tot het Internet ook voortdurend goedkoper door de concurrentie van steeds meer dienstenaanbieders. Naast een toenemend aantal plaatselijke initiatieven en de PTT in samenwerking met een Nederlandse uitgever, bereiden ook transnationale ondernemingen zoals MCImail, AT&T en IBM een grootschalige implementatie van aan Internet gekoppelde diensten voor, niet alleen in Nederland, maar in bijna elk land waar deze bedrijven mogelijkheden zien voor een lucratieve ontwikkeling van de digitale markt. Buitenlandse concurrenten van de PTT bieden in Nederland reeds met succes intercontinentale verbindingen aan tegen lagere tarieven en de verwachting is dat Internet evenzo via buitenlandse bedrijven tegen goedkopere tarieven toegankelijk wordt gemaakt.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Netwerken als permanente onderhandeling

Netwerken is meer dan samenwerken met anderen. Het is ook meer dan de som van de bijdragen van de deelnemers. Werken in een net is in permanente verbinding staan met alle deelnemers. Dat is essentieel anders dan communiceren met zijn tweeën, zoals bij gewone correspondentie, telefoon- of faxverkeer. Netwerken is een soort communicatief investeren, waarbij men zijn eigen contacten en informatie inbrengt in de verwachting dat anderen dat ook doen, zodat iedereen over meer informatie en contacten kan beschikken.

Netwerken betekent ook een frequente en snelle wisselwerking tussen ideeën, ervaringen en feitelijke gegevens ingebracht door de deelnemers. Waar de meeste vergaderingen gericht zijn op structureren en besluiten, vindt bij netwerken zelden definitieve besluitvorming plaats. Immers, permanente communicatie maakt ook permanente onderhandeling en aanpassing van concepten mogelijk. Het is aan de netwerker zelf om de permanente onderhandeling terug te vertalen naar zijn eigen situatie of organisatie.

Netwerken lijkt nog het meest op een associatieve communicatievorm, waarbij ieder individu zijn eigen doelstellingen heeft en de digitale ontmoetingen naar eigen believen gebruikt. Dat dit niet alleen hoeft te leiden tot utopische verhandelingen, bewijst wel dat academici netwerken gebruiken als wetenschappelijk forum en steeds meer ondernemingen -- interne -- netwerken benutten als ideeënfabriek en platform voor een coherente en efficiënte organisatie.

Netwerken als techniek en organisatievorm lijkt het beste aan te sluiten bij het open karakter dat juist veel maatschappelijke organisaties kenmerkt. Waar formele afspraken dreigen te leiden tot bureaucratisering of onoverkomelijke tegenstellingen, biedt netwerken de mogelijkheid tot informele samenwerking. Zo'n informele samenwerking kan als een spontaan gesprek tijdens een ontmoeting in een café of in de trein zijn, waar inachtneming van alle achtergronden de wisselwerking van ideeën zeer waarschijnlijk zou verhinderen.

De meeste organisatievormen hebben naast andere doelstellingen tevens hun eigen voortbestaan op het oog. De organisatiestructuur en vaste procedures moeten het voortbestaan garanderen. Netwerken als organisatievorm behoeft deze formele basis niet en gedijt het beste zonder enige formaliteit. Waar het bij netwerken om gaat is het proces en niet het protocol. De binnen organisaties zo vaak noodzakelijk geachte harmonie en consistentie zijn bij netwerken meestal ver te zoeken. Dialectiek en confrontatie vindt men er des te meer. Organisaties communiceren vooral met de buitenwacht via officiële publikaties, netwerken kennen voornamelijk informele berichten die veelal in gedrukte vorm ondenkbaar zouden zijn.

Het moge duidelijk zijn: netwerken als sociale activiteit doe je in de kroeg, op de gang of in de lift, maar dankzij de pc kun je ook netwerken vanachter het toetsenbord op de werkplek of thuis. En waar persoonlijk netwerken meestal het persoonlijk welbevinden beoogt, biedt netwerken voor een organisatie, zowel intern als in relatie met anderen, vaak hetzelfde positieve resultaat.

Immers, middels netwerken kun je snel en goedkoop een groep collega's en hun informatiesystemen raadplegen. Meestal heb je op dezelfde werkdag reeds antwoord op dringende vragen, of het antwoord nu uit Sydney, Nijmegen of Rio komt. Veel meer dan met een individuele vraag aan een specifieke persoon richt je je met netwerken op iedereen, alsof je het woord voert in een grote vergadering. Je weet dus niet wie zal reageren en waarmee, maar dat je snel en veel resultaat hebt is gangbaar. Veel reacties zijn echter niet zonder meer bruikbaar, omdat ze verwijzen naar andere contacten en bronnen; desalniettemin kun je door te netwerken antwoorden vinden op problemen die in het verleden slechts door langdurig zoeken of communiceren oplosbaar waren. Reageren op informatieverzoeken is een vanzelfsprekendheid, want wie niet zelf helpt, kan ook niet op veel ondersteuning van anderen rekenen.

Organisaties die functioneren als netwerken volgen niet de mechanistische visies en wetmatigheden die vaak de basis vormen van een strakke hiërarchische organisatievorm. In de dagelijkse praktijk is netwerken een cultuur van ideeën en begrippen in beweging, een permanente onderhandeling tussen verschillende gezichtspunten. De ogenschijnlijke chaos die hier het gevolg van is, is als geheel onbegrijpelijk en ongrijpbaar. Maar voor een netwerker is het de juiste voedingsbodem voor vernieuwing en verandering.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Netwerken past maatschappelijke organisaties als een handschoen

Er is een brede aandacht ontstaan onder maatschappelijke organisaties en individuen voor de ingrijpende veranderingen in natuur, cultuur en maatschappij. In de jaren zeventig en tachtig bleek traditioneel gebruik van de natuur aan beperking en bederving onderhevig. Roofbouw, vervuiling, het gebruik van milieubedreigende chemische stoffen en energieopwekking trokken de aandacht door studies naar de gevolgen ervan op lange termijn. De natuur leek structureel verpest te worden en de cultuur van ongebreidelde economische groei liet een steeds groter deel van de eigen en de wereldsamenleving verarmen om welvaartsgroei voor sommigen overeind te houden. Er was geen volwaardige arbeidsplaats meer of een basisinkomen voor het sterk toenemende aantal herintredende vrouwen, hoger opgeleide jongeren, immigranten en asielzoekers. Daarnaast werd de samenleving steeds meer gericht op het individu, als consument en zelfstandig burger, en daar past eerder een persoonlijke betrokkenheid bij maatschappelijke thema's bij. De politiek was ondertussen vooral gericht op centrale thema's en doelgroepenbeleid en zag met lede ogen de aandacht weglekken naar nieuwe politieke groeperingen.

Sociale actie en aanzetten tot veranderingen leken in het verleden vooral te komen van traditionele sociale bewegingen zoals politieke partijen en vakbonden. Maar deze organisaties konden zich niet snel genoeg omvormen tot belangenorganisaties rond de thema's van de jaren zeventig en tachtig. Onderwerpen als de positie van de vrouw, milieuverontreiniging of kernenergie verkeerden ogenschijnlijk op gespannen voet met de belangen van werkenden. Wie zich in wilde zetten voor deze nieuw onderkende problemen werd min of meer gedwongen deze onderwerpen buiten de bestaande organisaties om onder de aandacht te brengen. Zo ontstonden een groot aantal themagerichte organisaties en bewegingen. Deze nieuwe maatschappelijke organisaties en sociale bewegingen werkten steeds nauwer samen en richtten daarvoor hun eigen platforms op.

Tientallen platforms en samenwerkingsverbanden zijn hierdoor ontstaan, elk met hun eigen thema, achterban en informatiestructuur. Er zijn verbanden rond milieu, consumentenrechten, arbeidsvraagstukken, bewapening, positie van de vrouw, inheemse volkeren en vrede. Samenwerking en frequente informatie-uitwisseling zijn steeds belangrijker geworden, zowel binnen die organisaties als in de onderlinge samenwerking tussen maatschappelijke organisaties.

Daarnaast draagt communiceren, in de vorm van uitwisseling van ideeën, voorstellen, meningen en elke andere informatie, bij aan het formuleren of realiseren van tegenstromen, alternatieven of beleidsaanpassingen. Meer communiceren betekent meer stof -- en noodzaak -- tot nadenken, wat misschien weer kan leiden tot een evenwichtiger perspectief en een meer betrokken houding van mensen bij de problemen van de samenleving.

Elektronisch netwerken lijkt echter ook organisaties te overstelpen met een stortvloed van irrelevante informatie en communicatie. Toch ziet men vaak na een aanvankelijke confrontatie met dit probleem een werkvorm ontstaan waarbij informatie snel en efficiënt wordt gerubriceerd en gefilterd en vragen worden doorgespeeld aan derden of beantwoord aan de hand van geprefabriceerde teksten. Een ervaren netwerker kan in een paar uur enige honderden berichten afhandelen, omdat niet op alle berichten een nieuw antwoord geformuleerd hoeft te worden. Bij netwerken hoort niet zozeer de noodzaak tot 'alles weten' of 'alles lezen', maar profiteer je vooral van relateren en rubriceren. Het gaat voor een klein deel om parate kennis en voor een groot deel om efficiënt communiceren.

Maatschappelijke organisaties zien -- evenals vele politieke activisten -- informatie vaak als hun dagelijkse produkt en communicatie als een instrument. Al dan niet gericht op een breed publiek -- of op elkaar -- worden dagelijks honderden notities, artikelen, voorstellen of rapporten rondgestuurd op diverse wijzen. Daarbij worden omroepen, publikaties, de post, maar ook moderne media zoals de fax of elektronische post benut om zo goedkoop, efficiënt en gericht mogelijk de beoogde doelgroep of ontvanger te bereiken.

Maatschappelijke organisaties maken zich in hoog tempo elektronisch netwerken eigen. Nog voor er massale aandacht voor deze nieuwe media was ontstaan bij de massamedia, het grote publiek, overheid en bedrijfsleven netwerkten niet-voor-profijt en niet-gouvernementele organisaties onderling en met iedereen die met hen deze media wil gebruiken.

De nieuwe media in de vorm van elektronische netwerken, die interactieve communicatie met informatieproducenten mogelijk maken, veroorzaken een wisselwerking die traditionele informatie- en bewustwordingscampagnes te boven gaat. Normaal kunnen alleen seminars en conferenties de gerichte aandacht en communicatie tot stand brengen die de nieuwe media continu in stand houden. De traditionele campagnes worden stapsgewijs permanente thematische discussies, niet alleen tussen maatschappelijke organisaties en hun achterban, maar ook binnen organisaties en in de achterban.

Het uitbrengen van periodieke publikaties en het organiseren van frequente vergaderingen of bijeenkomsten zijn de meest gangbare vormen van communicatie tussen een organisatie en haar achterban. Maar de betrokkenheid van veel leden van verenigingen of bewegingen gaat verder, men wil het liefst dagelijks nieuwe informatie ontvangen en actief participeren. Leden van Amnesty International of Vluchtelingenwerk reageren liever per dag op de laatste ontwikkelingen dan via een maandelijks toegezonden nieuwsbrief of campagneschrijven. Een aanzienlijk deel van hen lijkt vaker en uitvoeriger betrokken te willen zijn. Permanente deelname en betrokkenheid van grote aantallen leden van dit soort organisaties is mogelijk door elektronisch netwerken. En als toegang tot informatie en communicatie tussen mensen houdingen kan veranderen en beleid kan beïnvloeden, dan kan een maatschappelijke organisatie door elektronisch te netwerken op efficiënte en effectieve wijze veranderingen mede helpen bewerkstelligen.

Een absolute voorwaarde om een dergelijk proces op gang te brengen is publieke toegang tot een horizontale en decentrale informatievoorziening waarin iedereen ook zijn eigen mening kenbaar kan maken. Deze voorwaarde lijkt in schril contrast te staan met de gangbare cultuur binnen overheid en bedrijfsleven, waar informatievoorziening en communicatiemogelijkheden hiërarchisch en centraal worden geregeld als essentieel onderdeel van hun aard en werkwijze. Voor overheden en bedrijfsleven is ongecontroleerde horizontale informatie-uitwisseling een directe bedreiging voor de bedrijfsvoering en organisatiecultuur. Stel je eens voor dat elke ambtenaar en werknemer vrij met iedereen binnen en buiten de organisatie essentiële informatie kan uitwisselen. Het zou niet alleen het einde kunnen betekenen van de bureaucratie, maar waarschijnlijk ook van vele overheidsorganisaties en bedrijven, omdat zonder een controleerbaar proces van informatiedistributie dit soort organisaties onbestuurbaar wordt.

Overheden ervaren het als hun taak om geld-, goederen- en informatiestromen te beheersen en te reguleren. Bedrijven ondernemen met deze stromen omwille van het profijtbeginsel. Maatschappelijke organisaties zien echter informatie en communicatie eerder als vorming, waar individuen het vaak ook zien als amusement. Deze organisaties en individuen beogen niet informatie te beheersen, maar gaan ernaar op zoek of verspreiden deze. Voor hen is vrijheid van informatie-uitwisseling en communicatie dan ook een belangrijke voorwaarde voor deelname aan netwerken.

Netwerken op zich -- al dan niet elektronisch -- zijn van nature al decentraliserend en zeer moeilijk te reguleren. Zij vormen eerder een dynamisch en organisch geheel dan een statisch model dat iemand bedachtzaam kan controleren of behoedzaam kan dirigeren. Reguleren van discussies en gesprekken leidt al gauw tot stagnatie ervan. Informatiestromen die geleid moeten worden verzanden vaak in een moeras van procedures en protocollen. Alleen waar begeleiding als gewenst ervaren wordt, ziet men in netwerken enige besturing optreden. Buiten deze uitzonderingen zijn de regels van netwerken permanent in beweging. Wat vandaag wel en niet geaccepteerd is, is morgen mogelijk veranderd, omdat voortdurend nieuwe invalshoeken en concepten worden aangedragen.

Netwerken als organisatievorm, gekenmerkt door onderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling, lijkt vooral goed aan te sluiten bij de aard van maatschappelijke organisaties en individuen die de achterban van deze organisaties vormen. De overheid en het bedrijfsleven hebben vooralsnog moeite met het open, horizontale en oncontroleerbare karakter van netwerken. Derhalve raken de elektronische netwerken voornamelijk onder maatschappelijke organisaties snel ingeburgerd. Het biedt ze de ideale kanalen voor onderlinge en publieksgerichte communicatie en open informatie-uitwisseling.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Internationalisering en informatisering van de economie

'The Global Village', waar al zoveel jaren op wordt gewacht, is geen produkt van de mondiale digitale snelwegen die worden gebouwd, maar een gevolg van de internationalisering van geld-, goederen- en mensenstromen. De techniek voor de digitale snelwegen is ontwikkeld in opdracht van het Amerikaanse Ministerie van Defensie, en wetenschappers waren de eerste niet-militairen die op grote schaal van die techniek gebruikmaakten. Uiteindelijk hebben economische ontwikkelingen geleid tot het digitale werelddorp, dus hoeft het niet te verbazen dat het in dat dorp vooral gaat om de knikkers en de pegels.

De markt voor diensten die informatie als produkt hebben is nog steeds enorm in ontwikkeling. Voordat deze ontwikkeling echt door kan zetten, moet nog een aantal drempels worden genomen. Grensoverschrijdende informatiestromen, eigendom van informatie, reproduktierechten van informatie (digitale informatiegoederen kunnen worden gekopieerd en gereproduceerd zonder noemenswaardige kosten of beperkingen), veel zaken moeten nog worden geregeld. Ondertussen is de praktijk reeds in volle gang op het Internet en andere elektronische netwerken. In die praktijk is nu nog veel ruimte voor informatie-uitwisseling zonder juridische of financiële gevolgen voor aanbieders of gebruikers.

Of de computernetwerken gericht zullen worden op publieke toegang of slechts een nieuw vehikel worden voor nieuwe commerciële diensten is nog niet te zeggen. Uit het verleden weten we dat combinaties van commerciële en publieke media ook heel goed mogelijk zijn. Binnen de omroep- en uitgeverswereld zijn en blijven er ook nog verschillen. Publieke omroepen en ideële uitgeverijen leven parallel aan commerciële tv-stations en uitgevers van huis-aan-huisbladen. De interactieve mogelijkheden van de nieuwe generatie telefooncentrales hebben nauwelijks geleid tot een toename van gratis publieke informatiesystemen. Veel eerder is er sprake van een hausse aan commerciële diensten -- denk maar aan de 06-lijnen, die handig in weten te spelen op de sluimerende behoeftes van de consument. Veel informatiediensten kosten tegenwoordig veertig cent of meer per minuut. Kortom, een betere en snellere infrastructuur heeft de consument nog nauwelijks voordeel opgeleverd: de lokale telefoontarieven zijn zelfs gestegen. Informatie die voorheen publiek goed was mag tegenwoordig geld kosten of moet zelfs geld opleveren. Waar een publikatie gedrukt nog vrij toegankelijk is, is de elektronische evenknie alleen via een duur tarief over telematicakanalen op te vragen. Dit geldt onder andere voor de Handelingen van de Tweede Kamer. Deze kunnen vrij ingezien worden in de Openbare Bibliotheek, maar ze lezen via de computer van de Rijks Computer Centrale kost handenvol geld. Ook veel maatschappelijke organisaties vinden het vanzelfsprekend dat als hun adressenlijst of gegevensbestand in plaats van in druk op een elektronische databank wordt gepubliceerd, de gebruiker daar per keer en per eenheid voor moet betalen. Dat betekent dat je publikaties alleen nog maar per pagina en per minuut kunt 'huren'.

Als tegenwicht tegen deze oprukkende commerciële toepassingen van netwerken functioneert het Internet, dat door de openheid van zijn structuur ruimte biedt aan reeds vele tienduizenden gebruikers in Nederland en tientallen miljoenen over de hele wereld om in alle vrijheid informatie uit te wisselen, discussies aan te gaan en rond te neuzen in talloze publieke informatiesystemen, waaronder tientallen in Nederland. De verbreding van de structuur van Internet naar scholen en diverse maatschappelijke organisaties zoals bibliotheken en gemeentelijke instellingen kan ervoor zorgen dat verdere digitalisering van de netwerkstructuren niet zonder meer leidt tot verdere vercommercialisering. Desalniettemin is het goed zich te realiseren dat Internet overspoeld begint te raken met op profijt gerichte toepassingen. Er zijn nu al twee soorten Internet: één commerciëel en één non-commerciëel.

Elektronisch netwerken kent ook een commerciële benadering van niet-gebruikers. Wie toegang heeft tot Internet kan gratis putten uit vele bronnen met allerlei informatiebestanden, waaronder grafische afbeeldingen en hulpprogramma's. Deze hulpprogram-ma's en grafische bestanden -- vaak pornografisch van karakter -- worden ook afgedrukt op cd-rom's, die voor enkele tientjes te koop worden aangeboden. Wie geen cd-rom's kan afspelen en ook geen toegang heeft tot het Internet, kan terecht bij allerlei BBS'en die middels een 06-nummer of betaald lidmaatschap de gratis Internetinformatie voor een gulden per minuut aanbieden. Naarmate men minder toegang heeft tot de technologie, moet men meer voor de informatie betalen. Voor een Internetgebruiker is het nagenoeg kosteloos om in de meeste bibliotheken, de Library of Congress in Washington bijvoorbeeld, rond te neuzen. Voor anderen is dit alleen mogelijk via een persoonlijk bezoek na een of meer internationale vluchten.

Communicatie over grote afstanden wordt via het Internet goedkoper, informatie wordt duurder. Internet maakt het mogelijk tegen een fractie van de kosten voor postaal en telefaxverkeer enorme hoeveelheden informatie snel en betrouwbaar wereldwijd te transporten. Daarentegen veroorzaakt datzelfde Internet een enorme aandacht voor informatiediensten die via datacommunicatie informatie op maat kunnen leveren en in toenemende mate ook in rekening brengen.

Aangezien in de computernetwerken de meeste gebruikers ook informatieproducent of -handelaar zijn, zal steeds meer informatie-uitwisseling tussen personen tegen betaling gaan plaatsvinden. Vaststaat ook al dat steeds meer informatie die nu nog gezien wordt als een recht, zoals de Tweede Kamer Handelingen, in de toekomst voornamelijk tegen kosten zal worden aangeboden. Digitalisering van de informatie, met alle voordelen van goedkope reproduktie en distributie, zal niet in alle gevallen leiden tot goedkopere informatie.

Opvallend is echter dat de produktiemiddelen voor informatie -- als een van de nieuwe goederen in de informatiemaatschappij -- steeds meer worden gedemocratiseerd. Tekstverwerkers en lay-outprogramma's waren een aanzet, net als videocamera's en multimediaprogramma's, maar de computernetwerken maken het zelfs mogelijk je eigen omroep te beginnen op de kabel. Dit zal pas democratisering van de media zijn, als mensen de nieuwe media kunnen gebruiken om zelf nieuws te maken. Naast de trend van informatie die duurder wordt staat dus een trend van een flinke toename van het aantal informatieaanbieders.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Overheid en het openbare nutwerk

De internationalisering van de economie beperkt in ernstige mate de mogelijkheden van nationale overheden om effectief een eigen beleid te ontwikkelen. Hoe nationale overheden nog een rol kunnen spelen in de totstandkoming van besluiten rond internationale problemen wordt steeds onduidelijker. Overheden worden gedwongen internationale ontwikkelingen te volgen. Waar in het verleden de nationale overheid trachtte centraal regulerend op te treden, maakt de nieuwe technologie de controle die daarvoor nodig is zeer moeilijk. De infrastructuur van de nieuwe media en de daarbij gehanteerde procedures voor informatieoverdracht zijn niet geëigend voor centrale besturing of regulering.

De transparantie, hoge snelheid en decentrale organisatie van de huidige netwerken laten geen 'Grote Broer' meer toe als centraal regulerend orgaan over alle private gegevens. Het beheersen of tegenhouden van berichten met een bepaalde inhoud is vrijwel onmogelijk geworden. Maar aan de andere kant kan een overheid wel met de mogelijkheden die ze zichzelf grotendeels heeft toegekend de informatie die verplaatst is kopiëren en achteraf volgen. Een aardig voorbeeld is dat de Zuidafrikaanse overheid niet in staat bleek rapportages over mensenrechtenschendingen welke via e-mail werden verstuurd tegen te houden. Palestijnse advocaten worden, net als hun Zuidafrikaanse collega's in het verleden, geplaagd door onderbroken telefoon-, telefax- en telexverbindingen. E-mail zorgt ervoor dat informatie over arrestaties of verdwijningen toch doorgegeven kan worden aan organisaties als Amnesty International, met als gevolg dat opgepakte activisten beter behandeld worden. Informatieverspreiding via e-mail is in deze gevallen niet meer tegen te houden, dus moet de politie wel rekening houden met het feit dat arrestaties bekend zijn.

Een andere opkomend fenomeen is dat de overheid zichzelf wel het recht voorbehoud om diverse informatiebestanden met persoonsgegevens te koppelen. Door de onderlinge vergelijking of combinatie van informatie ontstaat er nieuwe informatie.

Naast de overheid zijn er ook veel bedrijven die klanteninformatie opslaan omwille van de dienstverlening, een voorbeeld is het Airmiles-puntensysteem. Bedrijven kunnen zo veel informatie over het bestedings- en keuzepatroon van vrijwillig toegetreden klanten hergebruiken voor gerichte marketing of produktinnovatie en deze informatie verder verkopen aan derden. Kredietinformatie en adresgegevens zijn heden ten dage reeds zeer gewilde en kostbare data. Zo ontstaat er een heel web van 'Kleine Broertjes en Zusjes', die elk de autoriteit bezitten om informatie en geld van de gebruiker op te eisen in ruil voor toegang tot een elektronische dienst. Hier lijkt een rol voor de overheid en de politiek als beschermers van de privacy weggelegd.

De overheid gaat ongetwijfeld speciale wetten en belastingen ontwikkelen, gericht op het reguleren en beheersen van de informatiestromen. De overheid tracht tenslotte ook de geld-, goederen- en mensenstromen te dirigeren. Een BTW (Belasting over Toegevoegde Waarde) over informatie of communicatie zal dienen als dekking voor regulering en beheer door de overheid, en als er wat overschiet voor de medefinanciering van de uitbouw van de infrastructuur.

De discussie over toegang voor burgers tot de nieuwe netwerken spitst zich toe op twee mogelijkheden. Toegang wordt aangeboden vanuit de openbare-nutsgedachte of de gebruikers regelen en financieren zelf hun toegang. Aan de ene kant kan overheidsbemoeienis op dit punt leiden tot regulering en beperking van de netwerkmogelijkheden, aan de andere kant kan een totale marktvrijheid van de infrastructuur leiden tot uitsluiting van grote groepen minder draagkrachtige burgers die de kosten van de aangelegde infrastructuur niet kunnen terugbetalen.

De huidige Internetdienstverleners in Nederland werken voornamelijk op basis van verrekening van de kosten met gebruikers en behoeven geen overheidssubsidies. De private structuur die Internet daarmee in ons land heeft gekregen kan voortbestaan zonder publieke investeringen. Zelfs de verdere verbreding van de toegang tot Internet via de kabel behoeft geen grootschalige investeringen. De recente opkomst van commerciële Internetdienstverleners die nauwelijks concurrentie zullen ondervinden, zoals IBM en PTT, maakt echter de discussie over de prijs die een burger voor toegang moet betalen mogelijk weer actueel.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Elektronische netwerken maken politiek persoonlijk

Een van de krachten van de huidige situatie is dat er nog geen overheidsregels zijn. Op een gegeven moment zullen echter het openbaar nut, eerlijke concurrentie en controleerbare prijsstelling vastgelegd moeten worden. Maar regels over toegang, besluitvorming en toelaatbaarheid zijn niet de vernieuwende aspecten van elektronische netwerken. Belangrijker zijn de nieuwe mogelijkheden voor mensen om deel te nemen aan de processen die nu nog door de politiek worden beheerst. Deze nieuwe mogelijkheden sluiten aan bij de veranderingen in de beleving van de politiek door veel mensen.

Bij elektronisch netwerken geven mensen zelf richting aan de media en de technologie. Ze bepalen zelf wat ze ermee willen of kunnen doen: mensen geven de nieuwe concepten een persoonlijke -- vaak zelfs unieke -- invulling. Dat sluit aan bij een maatschappelijke trend: politieke ideologieën als leidraad voor maatschappelijk handelen en politieke partijen of bewegingen als geëigende organisatievorm lijken sterk in betekenis af te nemen. Kiezers keren zich af van traditionele politieke partijen en richten zich steeds meer op specifieke thema's. Inmiddels zijn er meer mensen lid van een milieu- of mensenrechtenvereniging dan van een politieke partij of beweging. Het Wereld Natuur Fonds, Greenpeace, Amnesty, Natuurmonumenten, Vluchtelingenwerk, Artsen zonder Grenzen, elk van deze verenigingen beschikt over honderdduizenden leden en donateurs. De politieke interesse van de mensen lijkt versplinterd, maar de persoonlijke betrokkenheid neemt toe.

Op deze wijze gaat iedereen steeds meer zijn of haar eigen politieke agenda samenstellen. We voelen ons door deelproblemen van de samenleving aangesproken en reageren er persoonlijk op of ageren ertegen. Dat kunnen we doen door deel te nemen aan publieke discussies, maar ook door gericht contact met politieke ambtsbekleders of belangenbehartigers. Waar de een geraakt wordt door vluchtelingen of laagvliegende straaljagers, voelt een ander zich betrokken bij biotechnologie of huurverhogingen of is weer een ander enigszins geïnteresseerd in de problematiek van ruilverkaveling. Waar vroeger actieve participatie in een politieke beweging noodzakelijk was en identificatie met complete wereldbeschouwingsmodellen, is nu gepaste verontwaardiging of menselijke betrokkenheid voldoende. Waar in de jaren tachtig nog 'het persoonlijke in de politiek' gepropageerd werd, lijken de jaren negentig een tijdperk in te luiden waar de politiek persoonlijk is geworden. Daarmee lijkt politieke actie haalbaar geworden voor meer mensen, en meer deel uit te maken van het dagelijks leven.

De massamedia tonen politici graag in een kwetsbare vorm, in hun onmacht behoorlijk om te gaan met persoonlijke schandalen. Het publiek wordt vervolgens gepolst, in opdracht van diezelfde media, over zijn opvattingen ten aanzien van die politici. In de Verenigde Staten heeft dat ertoe geleid dat de 'polls' in hoge mate het besluitvormingsgedrag van politici kunnen sturen, althans bij diegenen die hun politieke loopbaan voort willen zetten. In het Verenigd Koninkrijk is het de premier toegestaan de meest gunstige 'polls' af te wachten alvorens algemene verkiezingen uitgeschreven worden. De afgelopen decennia hebben de massamedia de politici tot een effectieve communicatie met de samenleving gedwongen.

De huidige praktijk toont aan dat openbare ambtsdragers zich langzaam beginnen te realiseren dat een permanente dialoog met de kiezer noodzakelijk is. De opiniepeilingen van de massamedia zullen steeds meer gepaard gaan met de noodzaak en mogelijkheid voor politici om kleinschalige digitale discussies in nieuwsgroepen te volgen. Politici moeten blijven polsen wat er leeft, welke opvattingen ten aanzien van een breed scala aan beleidspunten worden geuit en hoe de huidige beleidsuitvoering wordt bekeken.

Dit soort, indien gewenst anonieme, digitale werkbezoeken brengt de discussies in de snackbar op een politiek niveau. Directe terugkoppeling van beleidsinitiatieven en het tijdig signaleren van politieke onrust bij de kiezers worden instrumenten die een politicus in het zadel kunnen houden. Belangrijk zijn dan niet meer alleen de interpretaties van de media die de meningen van kiezers tussentijds polsen, maar ook de uitlatingen van de kiezers zelf, hoe ongenuanceerd deze ook mogen zijn. Opmerkingen gemaakt in een digitale babbelbox, nieuwsgroep of conferentie krijgen, doordat ze publiekelijk verspreid zijn, een zwaarder politiek gewicht dan een persoonlijk bericht aan een instantie of ambtsdrager. De meningen mogen rauwer en onevenwichtiger lijken dan een achtergrondcommentaar, ze behoren door hun publieke verspreiding wel tot het politieke forum. Het opstellen en uitvoeren van een exact uitgestippeld politiek meerjarenplan wordt hiermee vervangen door een permanente communicatie en onderhandeling met de politieke achterban. Niet zozeer omdat de politici dat graag willen, maar omdat het hun politieke overlevingsstrategie steunt.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Faxisme

De nieuwe media bieden kiezers en belangengroepen nieuwe mogelijkheden om hun mening kenbaar te maken. Demonstraties via de massamedia lijken steeds minder effectief en private lobby is meestal voorbehouden aan een kleine kern van pressiegroepen. Daarentegen kunnen deelnemers aan netwerken dagelijks hun spontane commentaar ventileren richting politici, waaronder (in de VS) niet alleen Senaat, Congres en regering, maar ook burgemeesters, wethouders, officieren van justitie, rechters en iedere andere politieke of openbare functionaris. Per staat en per stad staan voorgeprogrammeerde fax- en e-mailberichten gereed om automatisch te worden verzonden. Ook in Nederland is het, binnen De Digitale Stad van Amsterdam, al mogelijk om e-mail aan sommige politici te sturen, al moet soms nog wel een tussenpersoon de mail aan de betreffende politicus doorfaxen, omdat hij of zij nog niet zelf e-mail gebruikt.

Zo dient het gemak de verontwaardigde burger die 's morgens na het lezen van de krant zijn gram middels zijn pc in digitale petities vertaalt. In de VS is deze vorm van actievoeren middels e-mail zeer succesvol. De burger roept zelf de vertegenwoordiger of overheidsbeambte ter verantwoording. Men is politiek bij iets betrokken en wil iets met dat gevoel. Politieke actie is niet alleen een afweging van belangen ingegeven door maatschappelijke analyse, maar ook een emotionele actie. Emoties in de politieke actie zijn niet nieuw. De beweegredenen van de gemiddelde activist uit de jaren zeventig waren deels ook emotioneel. Wat wel anders is, is dat men niet via publiciteit of demonstraties politieke besluitvorming tracht te beïnvloeden, maar veel meer als individu vanachter een toetsenbord.

Via dat toetsenbord voelen die individuen zich overigens wel persoonlijk betrokken, en maken ze deel uit van gemeenschappen. Net zoals je bij een demonstratie opeens kunt ontdekken met velen te zijn, kan een digitale discussie of petitie ineens een grote groep mensen samenbrengen. Uiteraard is deze uitingsvorm nu nog slechts voorbehouden aan een kleine groep binnen de samenleving welke zich toegang tot computernetwerken kan veroorloven en de bediening beheerst. Het toekomstige succes van de digitale petitie als actievorm zal sterk afhangen van een brede deelname. Alleen als de toegang tot elektronisch netwerken goedkoop en gebruiksvriendelijk wordt, kunnen veel mensen deelnemen.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Telecratie en democratisering

Sommigen menen dat de nieuwe media 'telecratie' mogelijk zouden moeten maken: deelname aan politieke besluitvorming middels digitale referendums zou uiteindelijk zelfs de representatieve vertegenwoordiging kunnen vervangen. Het is te hopen dat, als dit ooit mocht plaatsvinden, de deelnemers onderscheid weten te maken tussen de buitenlandse politiek, bijvoorbeeld inzake voormalig Joegoslavië, en populaire computerspelen als Wolfenstein of Doom, die weinig ruimte laten voor dialoog, reflectie en zorgzaamheid voor een ander.

Ondanks experimenten rond telecratie lijkt 'ad hoc' en spontane deelname aan besluitvorming meer aan te sluiten bij de aard van het netwerkgebruik dan een geformaliseerde telecratie. Wie zich geroepen voelt of betrokken kan deelnemen aan discussies of in actie komen door middel van deze nieuwe media. Mogelijk ontstaat in de toekomst een openbare en voor iedereen toegankelijke permanente onderhandeling over politieke besluiten via elektronische netwerken. Vergelijk het met het teruglopen van centrale loonafspraken en arbeidscontracten ten faveure van permanente onderhandelingen binnen bedrijven. Een permanente onderhandeling over politieke besluitvorming via elektronische netwerken zou kunnen leiden tot minder regelgeving en controle van de overheid ten gunste van grotere flexibiliteit en innovaties inzake procedures.

Politieke besluitvorming is nu vaak gericht op het verder differentiëren en corrigeren van procedures, om bestaande regelgeving aan te passen aan gewenste politieke veranderingen of verschuivingen. Men zou in plaats van vaste regels voor elke procedure meer mogelijkheden kunnen scheppen om procesmatiger regels aan te passen en te herijken aan de hand van een veel frequentere onderhandeling met sociale partners, belanghebbenden of kiezers. Dit zou een meer directe band tussen politiek en samenleving op kunnen leveren en wordt daardoor wellicht als democratischer ervaren.

Het is echter ook niet ondenkbaar dat hierdoor slechts de oude politieke elite wordt vervangen door een nieuwe, net als bij zovele andere politieke veranderingen. Democratisering kan alleen worden bewerkstelligd indien brede publieke betrokkenheid en actieve participatie in politieke besluitvorming mogelijk zijn. Vooralsnog ontbreken in Nederland zowel de infrastructuur als de politieke cultuur die daarvoor nodig zijn.

Deelname aan elektronische netwerken heeft nog nauwelijks maatschappelijke betekenis gekregen. De digitale publieke tribunes bieden aan nog weinig mensen een plaats, laat staan dat politici de nieuwe media al zo serieus nemen, dat ze zichzelf aansluiten bij een digitaal netwerk om kennis te nemen van de daar aanwezige publieke discussies. Vooralsnog lijkt de politieke interesse eerder gekoppeld aan de journalistieke aandacht voor het fenomeen elektronisch netwerken.

Dat democratisering binnen elektronische netwerken wellicht nog moeilijker tot stand zal komen dan bij andere publieke en maatschappelijke organen is onder andere af te leiden uit de politieke strubbelingen binnen De Digitale Stad van Amsterdam, waar mondige -- lees: vingervlugge -- digitale burgers de DDS-bestuurders bestoken met de aloude roep om democratie.

De meeste elektronische netwerken zijn niet ontstaan vanuit een openbare instelling, maar door private initiatieven. Gebruikers hebben formeel gezien geen enkele macht over de netwerken waar ze deel van uitmaken en die ze meehelpen opbouwen. De juridische relatie tussen digitale steden en dienstverleners en hun gebruikers zal de komende jaren nog vorm moeten krijgen.

Wellicht dat het verlangen naar bescherming en beheersbaarheid voor initiatiefnemers voldoende legitiem is voor een besloten rechtspersoon welke de dienstverlening moet garanderen. Maar gebruikers zullen ook een mogelijkheid moeten krijgen om hun belangen te behartigen, mee te denken en mee te werken aan de verbreding van de digitale platforms. Misschien dat in navolging van het publieke omroepbestel gebruikers lid kunnen worden van een vereniging. Een duidelijk verschil met het publieke bestel zou zijn dat de vereniging gebruikmaakt van de faciliteiten van private dienstverleners. Het lijkt daarbij wezenlijk te onderkennen dat deelname aan netwerken niet mag verworden tot een dualistische relatie tussen een dienstverlener en gebruiker, tussen informatieproducent en consument. Netwerken is produceren èn consumeren, participeren èn reageren, zaaien èn oogsten.

Netwerkdiensten die slechts gericht zijn op het aanbieden van bestaande informatiediensten tegen betaling lijken nauwelijks een bijdrage te leveren aan een verbreding van de bestaande vrije informatiecultuur op elektronische netwerken. Of systemen nou volledig gesponsord worden door overheid en bedrijfsleven of dat ze gefinancierd worden door informatieleveranciers, de gebruikers mogen niet uitgesloten worden van participatie in de besluitvorming over de inhoud en richting van het platform dat ze helpen opbouwen.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Culturele aspecten van elektronische netwerken

In een tijdperk waar de zingeving van het aardse materiële bestaan onder grote druk komt te staan door vergaande secularisering, oprukkende natuurproblemen en grote culturele veranderingen, kunnen nieuwe sektes en religies goed gedijen. Zo ook de stromingen die de nieuwe netwerken aanprijzen als de ultieme revolutie welke de mens nieuwe kansen biedt op een grotere humaniteit die mensen verbindt in een groot collectief bewustzijn en die in een kennisbank voorziet die groter is dan een mens kan overzien.

Net als het nirvana lokt het Internet naïeve volgelingen en goeroes die met elkaar verbonden willen zijn in de hype, in 'de wolk van niet-weten'. In het land der blinden is niet alleen Eenoog koning maar ook eenieder die meent te kunnen zien. Charlatans, mooi-weerprofeten en kwakzalvers bevolken al eeuwen deze planeet en in haar virtuele evenknie zal dat nauwelijks minder zijn, is te vrezen. Nooit tevoren leek een economische goudmijn, sociale vernieuwing en emancipatie binnen één model mogelijk. Maar het lot van veel onbegrepen technologie is vaak dat zij als 'deus ex machina' voor het oplossen van maatschappelijke knelpunten wordt opgevoerd. De industrie zoekt een nieuwe kip met gouden eieren, de actievoerder een nieuw ideaal en op zoek naar wat meer humaniteit en zingeving zijn we toch allemaal?

De euforie neemt in nauwe samenhang met gedreven stukjes van journalisten groteske vormen aan, wat verdere elitevorming rond deze nieuwe media stimuleert. Er is echter geen fictieve werkelijkheid in de maak en zeker geen nieuwe werkelijkheid. We staan niet aan de vooravond van de ontdekking van een nieuw 'digitaal heelal', hoe graag de computerindustrie en menig computerfanaat dat ons wil laten geloven. Wie een onderaards gangencomplex inloopt met slechts een handvol lucifers en gaandeweg signalen terugstuurt over de fantastische ontdekkingen die men doet, zal al gauw geneigd zijn te vergeten dat die gangen ooit door mensen werden bedacht en gemaakt. De beleving van een nieuwe wereld mag dan oprecht zijn, het toekennen van een boven het dagelijks leven verheven realiteit aan elektronische netwerken is zinloos. Computernetwerken zijn netwerken van door mensen gevormde contacten en met door mensen opgeslagen kennis. De virtualisering is al even onbelangrijk als dat middels een PIN-code digitaal wordt betaald of dat men luistert naar digitale informatie als men een cd opzet. Het blijven nog altijd de toepassing en de directe relatie met menselijk handelen die informatie of communicatie zinvol maken.

Er is en komt geen opzichzelfstaande nieuwe 'virtual reality' als postindustrieel multimediawalhalla waar gelijkheid, broederschap en vrijheid de boventoon voeren. Er is alleen een 'global reality' die zich dagelijks in toenemende mate aan ons opdringt, omdat valuta, goederen, culturen en mensen massaal over de globe bewegen. De technologie is daar een onderdeel van en biedt ons nieuwe mogelijkheden om als individu met die mondialisering om te gaan. De sociaal-culturele en sociaal-economische context van alles wat mensen doen breidt zich uit, terwijl de mogelijkheden om als individu aan deze mondiale processen deel te nemen ook groter worden.

Het nieuwe werelddorp en de informatiesnelwegen zijn ogenschijnlijk krachtige nieuwe concepten: een twaalfjarige kan nu even gemakkelijk als een kleine organisatie de Wereldbank, de VN of de president van de Verenigde Staten bereiken. Echter, een aanzienlijk deel van de wereldbevolking kan lezen noch schrijven, beschikt niet over elektriciteit of toegang tot een telefoonlijn, laat staan een computer. Weliswaar zijn er met zonlicht gevoede computers die met een eenvoudige amateurzender via polaire satellieten met behulp van een tv-antenne mondiaal kunnen communiceren, toch is het gepast stil te staan bij degenen aan wie dit alles voorbij zal blijven gaan en voor wie de kloof met de informatiemaatschappij alleen maar groter zal worden. Het is ook goed zich te realiseren dat tot op heden het gebrek aan educatie en alfabetisatie nog nooit door technologie werd opgelost.

Post-marxistische sociale wetenschappers herontdekken de multinationale conglomeraten als de 'Grote Broederschap' die uit is op onze hersendood en totale afhankelijkheid van pulpinformatie. De Springers, Murdochs en Berlusconi's komen als mediatyconen in de aandacht, maar net als de overheid zijn ook zij niet bij machte enige sturing of controle uit te oefenen over de informatie die via de netwerken vloeit.

Tien jaar geleden werd deelname van microcomputers aan de backbone van mainframes en Unixworkstations voor onmogelijk gehouden. Inmiddels nemen simpele pc's op grote schaal deel aan Internet. Daarom is het onwaarschijnlijk dat de mediamonopolies staande blijven. Andere informatiestromen, uit simpele pc's met hun decentrale en horizontale karakter, kunnen de mediamonopolies eenvoudig omzeilen. William Gibson, een belangrijk auteur van romans over cyberspace, gaf al eens aan dat mensen zo hun eigen toepassingen van technologie bedenken en realiseren. De 06-lijnen in Nederland en het succes van Minitel in Frankrijk zijn daar goede voorbeelden van.

Massacommunicatie lijkt in de toekomst steeds minder massaal te worden, immers iedereen kan dan kiezen uit vijfhonderd tv-kanalen of naar believen films en documentaires opduikelen uit de digitale videotheek of bibliotheek. Daarnaast zullen steeds meer kanalen, diensten en omroepen de mensen kunnen bereiken en is een privé-vertoning van welke aard dan ook mogelijk. En in plaats van in het theater of achter de buis passief toe te kijken wordt de kijker de mogelijkheid geboden interactief en via meerdere zintuigen deel te nemen aan het gebodene. Eigenlijk is het beter te spreken van een persoonlijk, zelf samengesteld kanaal dan van vijfhonderd kanalen.

Uitgaan en andere sociale contactpatronen -- zoals een gesprek met de buurvrouw -- zullen daardoor veranderen. Ieder richt zo zijn eigen 'buurt' en zijn eigen marktplein in, niet gehinderd door geografische beperkingen. Men kijkt tv in Latijns Amerika, neust voor boeken in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en 'chat' lange nachten met een vriend die in Hongkong woont. Maar voor een pilsje gaat men toch naar de kroeg op de hoek en voor vers brood kan men evenmin op het net terecht. De 'virtuele buurt' is dan ook geen nieuwe realiteit, die de oude volledig vervangt, maar een aanvulling op de bestaande leefsituatie. Een aanvulling die opgaat in het dagelijks leven.

In de virtuele gemeenschappen waar we deel van uit gaan maken, ontstaat een sfeer van permanente communicatie, met wie dan ook, waar dan ook. We versturen berichten, discussiëren of lezen nieuws. Stel je voor dat je midden in een voetbalstadion woont en al je problemen of vragen voor kunt leggen aan het publiek middels het omroepsysteem. Dat is vandaag al de realiteit van veel netwerkgebruikers. Men stelt een vraag of ventileert een opvatting en men krijgt altijd reactie. Vragen die niet beantwoord kunnen worden vallen meteen op en nodigen anderen uit die problemen nader te onderzoeken.

Analyseren of classificeren wordt minder belangrijk bij het oplossen van problemen en het vinden van informatie, wat telt is het associatievermogen. Het snel leggen van inhoudelijke verbanden tussen de gevonden informatie wordt belangrijker dan overzicht over alle mogelijke bronnen. De kennis die nodig is voor dat relateren hoeft men niet zelf te hebben, die kan en mag overal zijn. Op elektronische netwerken is zeer veel informatie die verwijst naar bronnen aanwezig, waardoor de kans dat belangrijke informatie onzichtbaar blijft aanzienlijk daalt. De verwijsinformatie wordt meestal ter beschikking gesteld door gebruikers, waardoor tegelijk een indruk gegeven wordt van de waarde van de bron voor anderen.

Computernetwerken dienen ook als gemeenschappelijk geheugen en collectieve kennisbank. Veel woorden in een bijeenkomst vergaan even vlug als zij worden uitgesproken en ook de meeste kranteartikelen of nieuwsitems op televisie zijn zelden nog achteraf doorzoekbaar of breed toegankelijk. Computernetwerken lenen er zich veel beter voor om de dagelijkse geschiedenis van gewone mensen, hun ervaringen en verhalen, hun opmerkingen en opvattingen op te slaan en ter beschikking te stellen.

Gebruikers zien het Internet nu als een mogelijke archiefkast, maar helaas dan wel een zonder achterwand. Dagelijks worden tienduizenden berichten toegevoegd aan duizenden nieuwsgroepen, duizenden items aan honderden databanken, maar omdat de opslagcapaciteit van veel systemen beperkt is, worden ook weer elke dag duizenden megabytes aan informatie gewist. Het Internet lijkt een mondiaal systeem dat almaar meer informatie stapelt, maar de archivering is gebaseerd op drijfzand.


Naar het begin van dit hoofdstuk

Nieuwe fenomenen, oude gewoontes

Het ideaal van een harmonisch model van natuur en cultuur lijkt vervlogen. Een coherent en universeel model van waarden en normen is in de mondiale samenleving steeds minder denkbaar, maar misschien ook minder noodzakelijk. Tegenstrijdige opvattingen, minder strakke gedragslijnen kunnen evengoed leefbaar zijn. De poel van culturele invloeden en tegenstellingen is een bruisend vat waaruit sociale en culturele vernieuwing kan voortkomen. Uit orde komt nooit verandering voort. De versplintering van interesses, informatie, cultuur of politiek die zo kenmerkend is voor deze tijd, hoeft daarom niet negatief te zijn. Netwerken bieden iedere deelnemer de mogelijkheden een eigen palet van contacten, (sub)culturen, bronnen en amusement te definiëren en dit vervolgens dagelijks aan te passen.

Elektronisch netwerken maakt een belangrijk deel uit van de nieuwe informatie- en communicatiecultuur. Daarbij gaat het vaak om meer informatie in plaats van nieuwe informatie, en om meer communicatie in plaats van betere communicatie. Meer informatie betekent echter niet meer kennis of wijsheid, evenmin betekent meer communicatie meer participatie of democratie. Om meer kennis, wijsheid, participatie en democratie te bereiken is het noodzakelijk dat mensen vanuit hun eigen betrokkenheid bewust deelnemen aan de veranderingsprocessen die gepaard gaan met de opkomst van de informatiemaatschappij en zich actief opstellen met de zich eigen gemaakte mogelijkheden. Hierin hoeft niemand alleen te staan, want elektronische netwerken zijn bij uitstek geschikt voor het vormen van gemeenschappen.