MARKTWERKING NOCH
OVERHEIDSBEMOEIENIS IS PATIËNTENBELANG
Op de Forum-pagina van 22 februari betwisten ziekienhuisdirecteuren de
wenselijkheid van de onlangs ingevoerde gedeeltelijke marktwerking in de zorg .
Robert Kruis stelt dat nog verder doorgevoerde marktwerking binnen enkele jaren
tot duurdere en minder effectieve zorg leidt, net als in de VS. Zes andere
directeuren benadrukken terecht de nadelen van aanbodgestuurde zorg, oftewel
van de tot voor kort vrijwel volledige en nu lichtelijk beperkte overheidsbemoeienis.
Wim Nusselder geeft beide partijen gelijk en suggereert alternatieven.
Vraaggestuurd werken wordt gepresenteerd als dé oplossing voor allerlei
problemen in de zorg. In augustus 2001 constateert het ministerie van VWS in de
nota 'Vraag aan bod' dat 'de dominante, centrale aanbodsturing' leidt 'tot
onvoldoende ruimte en prikkels bij partijen voor een kwalitatief hoogwaardig en
doelmatig functioneren'. Hospitalisering, zorgfabrieken, medicalisering,
wachtlijsten, wachttijden, werkdruk en mensonwaardige toestanden zouden dus
deels het gevolg zijn van overheidssturing. Inmiddels staan vraaggestuurd en
cliëntgericht werken centraal in veel beleidsplannen van zorginstellingen. De
overheid heeft intussen de invoering van marktwerking voorbereid: concurrentie
tussen zorginstellingen om in de gunst te komen bij de zorginkopers van de
ziektekostenverzekeraars en concurrentie
tussen ziektekostenverzekeraars om in de gunst te komen bij verzekerden.
Als econoom betwijfel ik of marktdenken hier echt dé oplossing is, hoeveel
succes mijn vakgenoten ook hebben met het verkopen van hun trucje om het hele
leven in termen van vraag en aanbod te beschrijven. De wereld bestaat uit meer
dan vraag en aanbod, markt en staat.
Zorg is vooral nodig waar mensen níét goed (meer) weten wat ze willen en nodig
hebben, daar waar de 'vraag' onhelder is. Zorgverleners moeten zich beslist
zoveel mogelijk richten naar de behoeften van hun cliënten, binnen de grenzen
van wat cliënten en belastingbetalers willen betalen tenmiste. Daar waar mensen
die behoeften zelf tot uitdrukking kunnen brengen, moeten ze zeker gehoord
worden en moet hun zelfredzaamheid gekoesterd worden. Wensen en behoeften
kunnen echter ver uit elkaar liggen. Moet je ouders die persé thuis willen
blijven wonen daar laten vervuilen en vereenzamen? Moet
je ongevaarlijke gekken die weg willen uit de inrichting gewoon laten
rondzwerven? 'Vanaf 2006 zal de wens van de cliënt en de familie centraal
staan', laat Mariëlle Rompa namens 1700 verpleeg- en verzorgingstehuizen optekenen
in de Volkskrant van 2 februari. In onze geïndividualiseerde samenleving weet
familie echter vaak evenmin wat iemand nodig heeft. Bovendien moeten sommige
cliënten juist tegen hun familie in bescherming worden genomen.
Concurrentie tussen zorgfabrieken om de indirecte gunst van zorgverzekerden is
beslist een manier om ze efficiënter te laten werken. Het effect is echter
beperkt door die indirectheid en doordat individuele verzekerden geen partij
zijn voor relatief grote zorgleveranciers. De regie komt in de handen van de
zorgverzekeraars te liggen, zoals Robert Kreis schrijft. Wie er ook aan het
langste eind trekt, waarschijnlijk niet de zorgontvanger, want die is geen
partij . Verzekerden die op dat moment niet ziek of zorgbehoeftig zijn, de meerderheid,
zullen kiezen voor hun portemonnee. Directeuren van zorginstellingen,
zorgverzekeraars en toeleverende industrieën van medicijnen en medische
apparatuur 'moeten' hoger beloond worden wegens de grotere risico's in een
onzekere zorgmarkt.
Het lijkt mij van belang om drie soorten relaties uit elkaar te houden:
- die van zorgverleners met zorgontvangers of hun vertegenwoordigers,
- die van zorgverleners met zorgverzekerden via verzekeraars en
- die van zorgverleners met kiezers alias belastingbetalers via de overheid.
In de eerste en belangrijkste soort relatie kunnen we er niet omheen dat er
regelmatig voor zorgbehoevenden gedacht moet worden. Soms kunnen familie en
andere 'mantelzorgers' daarin een rol spelen. Vaak zullen zorgverleners dat
moeten doen, zeker bij intramurale zorg. Een beter evenwicht tussen betuttelen
en bespreken -bepleit door Mariëlle Rompa- is een deel van de oplossing.
Ik zou daarbij onderscheid willen maken tussen 'zorg', waarbij minstens
gedeeltelijk inschatting van de werkelijke behoeften van de ander nodig is, en
'dienstverlening', waarbij je ervan uit gaat dat de klant nodig heeft wat hij
vraagt. Alleen bij 'dienstverlening' is het zinvol om 'vraag' en 'aanbod' te
onderscheiden. Zorgverleners moeten waar mogelijk omschakelen naar een rol als
dienstverlener om de zelfredzaamheid van hun cliënten te stimuleren en in stand
te houden. Bijvoorbeeld door keuzemogelijkheden aan te bieden.
Dé valkuil voor zorgverleners, ook voor amateur-zorgverleners aan kinderen,
ouders en zieke buren, is het zorgdragen voor méérdere aspecten van iemands
kwaliteit van leven terwijl slechts zorg voor één aspect geboden
is. Mensen zijn zelden zorgbehoeftig ten aanzien van zowel biologische,
sociale als psychische of geestelijke aspecten van hun leven. Zorg zonder
zorgbehoefte hospitaliseert en infantiliseert. Daarbij kun je zowel denken aan
overbezorgde ouders als aan te grootschalige ziekenhuizen waar ziekenzalen en
onpersoonlijke zorg het sociale en geestelijke welbevinden van de patiënten
ondermijnt.
Vanuit dit gezichtspunt gezien is het van belang om zorgverlening kleinschalig
te organiseren en op basis van levensbeschouwing. De zelfredzaamheid van mensen
die niet meer, nog niet of tijdelijk niet volledig voor zichzelf kunnen zorgen
en opkomen is bij voorbaat groter binnen een kleinschalige, overzichtelijke,
zorginstelling dan binnen een grote. Levensbeschouwing is vaak het laatste
houvast van mensen waarvan allerlei lichamelijke functies, sociale relaties,
gewoonte- en denkpatronen het begeven. Ik ken geen cijfers, maar ik maak me
sterk dat ouderen die bewust kiezen voor samenwonen met gelijkgezinden in een
kleinschalig verzorgings- en vepleegtehuis bestuurd door 'hun' organisatie het
langer volhouden en een 'waardiger' levenseinde kennen. Een voorbeeld zijn de
instellingen voor en door vegetariërs, vrijmetselaars en antroposofen in ons
land.
Patiënten alias klanten en zorg- alias dienstverleners blijven zulke
ongelijkwaardige partijen, dat van 'marktwerking' in deze relatie weinig goeds
te verwachten valt. Passender manieren om de kwaliteit van de diensten te
verhogen is nadruk op klantvriendelijkheid naast zorgdeskundigheid in de
opleiding en het aanwijzen van vaste contactpersonen per klant die niet
dezelfde zijn als hun zorg- of dienstverleners. De terugkoppeling van gegevens
over het welbevinden van de klant wordt dan minder vertekend door zijn
afhankelijkheid van de zorg- alias dienstverleners.
In de relatie tussen zorgverleners en zorgverzekerden hebben zorgverzekeraars
inderdaad een cruciale rol. In oorsprong zijn het verenigingen van
gelijkgezinden, al dan niet op levensbeschouwelijke grondslag, die onderling
solidair zijn bij tegenslag. De essentie van hun rol is de kloof te overbruggen
tussen de deskundigheid en schaalomvang van zorgverleners enerzijds en individuele
verzekerden anderzijds. Verzekeraars die grootschaliger en bureaucratischer en
dus klantonvriendelijker zijn dan zorginstellingen schieten hun doel voorbij.
Verzekeraars waarvan 'klanten' geen inspraak hebben in aard en omvang van die
solidariteit eveneens.
De rol van de overheid is in wezen het bewaken van de kwaliteit van die zorg-
en solidariteitsrelaties. De sterkste partij mag geen misbruik maken van
deskundigheid en schaalgrootte. Daarvoor hoeft geen cent belastinggeld
overgedragen te worden aan zorginstellingen of zorgverzekeraars. Controle op
opleidingskwaliteit en transparantie volstaat. Zorginstellingen en
zorgverzekeraars moeten voldoende informatie verschaffen om publiekelijk ter
verantwoording geroepen te kunnen worden geroepen voor de kwaliteit van hun
zorg en solidariteit. Verenigingen met gemiddeld rijke leden en lage
zorgbehoefte moeten een deel van hun contributie-inkomsten afdragen aan arme
verenigingen. Lidmaatschap van zo'n verenging is verplicht en hun omvang is
gebonden aan minima en maxima. Solidariteit via contributies, nóch via de
overheid, nóch via de markt dus.
Wim Nusselder is econoom en werkte toen hij dit schreef als financieel
medewerker in de zorgsector
Gestuurd aan de Forum-redactie
van de Volkskrant 24 februari 2005. Niet geplaatst.