|
Ministeriële Noord-Atlantische
Raad
S26348
nr. 4 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 17 januari 2001
Op 14 december vond de vergadering van de Noord-Atlantische
Raad op ministerieel niveau plaats, gevolgd door de NATO-Ukraine Commission
(NUC) en op 15 december de Euro-Atlantische Partnerschapsraad (EAPR) en
de Permanente Gemeenschappelijke Raad (PGR) met Rusland.
Het communiqué van de Noord-Atlantische Raad alsmede de voortzitterschapsverklaring
van de EAPR, het EAPR Actieplan en de verklaring inzake de NUC is bijgesloten,
alsmede de persverklaring over de PGR. *)
Op 14 december is tevens het zogenaamde paragraaf
32 proces over opties voor vertrouwenwekkende maatregelen, verificatie,
non-proliferatie, wapenbeheersing en ontwapening afgesloten. De uitkomsten
van het proces zijn neergelegd in het bijgesloten rapport dat door de
Noord-Atlantische Raad is publiek gemaakt. Hierover wordt u in de tweede
helft van deze brief geïnformeerd.
Tijdens de Noord-Atlantische Raad stonden twee
onderwerpen centraal: de Europese veiligheids- en defensie-identiteit
en de situatie op de Balkan.
EVDI
In mijn interventie heb ik benadrukt dat nauwe samenwerking
tussen EU en NAVO één van de pijlers is van het EVDB en
dat wordt gestreefd naar een relatie gekenmerkt door transparantie, coördinatie
en samenwerking. De permanente arrangementen tussen de EU en de NAVO zullen
moeten leiden tot een transparante structuur met frequente consultaties
op een breed terrein. Het voorstel van de EU op dit gebied is een uitstekende
stap voorwaarts, die door de NAVO moet worden beantwoord. Op het gebied
van de uitleen van NAVO-middelen aan de EU is de eerste prioriteit de
verzekerde toegang door de EU tot de capaciteiten van de NAVO op het gebied
van operationele planning.
Ook de participatie van de zes niet-EU Europese NAVO-Bondgenoten
vormt een belangrijk onderdeel van de EVDB-architectuur, zo heb ik benadrukt.
Deze landen delen immers hun veiligheidsgaranties met de elf NAVO-landen
die tevens EU-lid zijn, ze dragen bij aan de gemeenschappelijke middelen
van de NAVO die ter beschikking gesteld kunnen worden aan de EU en zij
zullen waarschijnlijk substantieel bijdragen aan EU-geleide operaties.
Er dient derhalve een inclusief systeem te worden opgezet om de landen
die (nog) geen EU-lid zijn goed te betrekken bij de fase voorafgaande
aan een daadwerkelijke operatie, en hen op voet van gelijkheid te laten
deelnemen in het comité van contribuerende landen tijdens een operatie.
Tevens heb ik benadrukt dat alle structuren en procedures weinig waarde
zullen hebben als dat niet gepaard gaat met de versterking van de militaire
capaciteiten. De Capabilities Commitment Conference op 20-21 november
is een goed begin geweest van wat een lang proces gaat worden. Dat proces
moet goed worden gecoördineerd met het defensieplanningsproces van
de NAVO, teneinde duplicatie en divergentie te voorkomen.
Al in de aanloop naar de NAR bleek dat van de zes
Europese NAVO-Bondgenoten, die niet lid van de EU zijn, er vijf in principe
konden instemmen met hetgeen in Nice is voorgesteld op het gebied van
arrangementen tussen de EU en de zgn. Derde Landen. Alleen Turkije bleek
ontevreden en wenst een aanzienlijke verdergaande betrokkenheid. Dit heeft
zich vertaald in een onbuigzame Turkse houding op het gebied van de verzekerde
toegang voor de EU tot de capaciteiten van de NAVO op het gebied van operationele
planning. Ankara wenst per geval te bezien of het daarmee kan instemmen
en op dit gebied thans niet verder te gaan dan hetgeen tijdens de Top
van Washington is afgesproken. Ondanks het feit dat in de langdurige besprekingen
op ministerieel niveau door de overige NAVO-landen werd benadrukt dat
een dergelijke verzekerde toegang van groot belang is voor zowel de EU
als de NAVO was op dit belangrijke punt geen voortgang mogelijk. Ikzelf
heb gesteld dat het van groot belang is om gebruik te maken van het politieke
momentum en thans het strategische partnerschap tussen EU en NAVO daadwerkelijk
inhoud te geven, ook middels verzekerde toegang tot NAVO-planning. Dat
is in het belang van de NAVO, de EU en zeker ook in Turks belang.
Verzekerde toegang tot planningscapaciteit maakt
onderdeel uit van het zgn. 'Berlijn-plus pakket' dat tevens de modaliteiten
omvat voor toegang tot van tevoren geïdentificeerde NAVO-middelen
en capaciteiten, de identificatie van een serie opties voor Europese commandovoering,
de verdere ontwikkeling van de rol van Deputy SACEUR en de aanpassing
van het NAVO defensieplanningssysteem. Over de verzekerde toegang tot
NAVO operationele planning en de overige elementen uit het Berlijn-plus
pakket zal in de komende maanden verder gesproken moeten worden.
Op andere punten kon overigens wel aanzienlijke voortgang
worden geboekt. Overeenstemming kon worden bereikt dat de voorstellen
van de EU op het gebied van permanente arrangementen de basis zullen vormen
voor de uiteindelijke tussen de EU en de NAVO af te sluiten overeenkomst.
In het communiqué wordt gesteld dat de overeenkomst zo snel mogelijk
afgesloten dient te worden. Het voorstel van de EU om de dialoog middels
regelmatige bijeenkomsten op verschillend niveau vorm te geven, wordt
tevens verwelkomd, waarbij de NAVO heeft aangegeven dat zij voorkeur heeft
voor tenminste drie bijeenkomsten per half jaar op het niveau van ambassadeurs,
in plaats van de door de EU voorgestelde frequentie van tenminste één
bijeenkomst.
Op 15 december vond, voor de eerste maal ooit, een
gemeenschappelijke bijeenkomst plaats in de vorm van een werkdiner tussen
de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-lidstaten en de NAVO-bondgenoten.
Balkan
In de sessie gewijd aan de Balkan bevestigde de ministers
hun voorzichtig optimisme over de ontwikkelingen in de Balkan. Van diverse
zijden is gesteld dat de onverminderde aanwezigheid van de NAVO in de
Balkan vooralsnog een conditio sine qua non is voor het aarden van stabiliteit
en democratie in de regio. Alleen in een vreedzaam klimaat kan er het
nodige vertrouwen ontstaan, waarin bijvoorbeeld ook de dialoog tussen
Belgrado en Pristina op gang kan komen.
Ik heb aangegeven dat de recente uitbarstingen van geweld in de Presovo-vallei
hebben getoond dat er nog geen sprake is van een stabiele vrede. De aanwezigheid
van KFOR zal noodzakelijk blijven in de komende jaren. Ook in Bosnië
vereist de veiligheidssituatie voortdurende aandacht. Er is te weinig
voortgang gemaakt op het gebied van een stabiele multi-etnische democratie.
Volledige implementatie van Dayton blijft vereist, waarvoor de nieuwgekozen
leiders een grotere verantwoordelijkheid zouden moeten nemen.
Ik heb tevens gewezen op het belang van regionale
samenwerking op veiligheidsgebied. Het Zuid-Oost Europa Initiatief van
de NAVO kan het Stabiliteitspakt aanvullen en ondersteunen. Er dient ook
verder nagedacht te worden over specifieke regionale wapenbeheersingsarrangementen,
bijvoorbeeld op het gebied van kleine wapens, waarneming van militaire
oefeningen etc. Tot slot ben ik ingegaan op het belang van goede samenwerking
tussen de NAVO en de diverse Balkanlanden.
NUC
In de NATO Ukraine Commission (NUC) stelde de enkele
maanden geleden aangetreden Minister Zlenko dat het beleid van Oekraïne
ten aanzien van uitbreiding van zowel EU als de NAVO onveranderd positief
is. Een sterke EU en NAVO zijn van groot belang voor Oekraïne, net
zo goed als een sterk Oekraïne een strategische belang voor het Bondgenootschap
vormt. Minister Zlenko benadrukte de samenwerking met de NAVO verder te
willen uitbouwen. Hij ziet met name uit naar praktische uitkomsten, zoals
het uitbouwen van het PFP-training centrum in Oekraïne en het verder
uitbouwen van de activiteiten van het NAVO Informatie en Documentatiecentrum.
Oekraïne zal een actieve bijdrage blijven leveren aan KFOR.
In de interventies van de NAVO-ministers werd alom
de Oekraïense bijdrage aan de vredesoperaties op de Balkan geprezen.
Van mijn kant heb ik de bereidheid uitgesproken, in navolging van de Nederlandse
hulp bij de ontplooiing van Oekraïense contingenten bij zowel SFOR
als KFOR, Oekraïne assistentie te bieden bij de ruiming van zijn
voorraden anti-personeelsmijnen. De daadwerkelijke uitvoering van een
ruimingsprogramma zou de internationale ontwapeningsagenda een grote dienst
bewijzen.
EAPR
De bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse
Zaken in de Euro-Atlantische Partnerschapsraad (EAPR) stond in het teken
van regionale samenwerking. De nadruk lag op de Balkan, met als gastspreker
de heer Petritsch, Hoge Vertegenwoordiger voor Bosnië-Herzegovina.
Deze noemde de situatie in Bosnië zeer complex - zo waren de etnische
tegenstellingen nog groot - maar was niet pessimistisch. Een voorzichtige,
maar vastbesloten houding was nu geboden om geleidelijk wijzigingen door
te voeren. Als voorwaarde voor integratie in Europese structuren noemde
Petritsch de creatie van gemeenschappelijke veiligheidsstructuren, economische
ontwikkeling en voortzetting van de internationale steun.
Minister Albright hield een krachtig pleidooi voor
verdere NAVO-uitbreiding, zonder overigens een datum of specifieke landen
te noemen. Minister Manley (Canada) zag een grotere rol voor de EAPR weggelegd
op het gebied van wapenbeheersing, met name kleine wapens en samenwerking
bij de ruiming van landmijnen. Kazakstan en Kyrgyzstan bepleitten bespreking
van de veiligheidskwesties in Centraal-Azië in de EAPR. Van Russische
zijde werd gewaarschuwd voor duplicatie van het werk van andere internationale
organisaties, zoals de OVSE. De Voorzitter van het Militaire comité
en SACEUR verzorgden briefings over de situatie in Bosnië-Herzegovina
en Kosovo. De belangrijkste boodschap van SACEUR was dat er voorlopig
nog geen ruimte was voor vermindering van de omvang van SFOR en KFOR.
PGR
De Permanente Gemeenschappelijke Raad (PGR) bijeenkomst
stond in het teken van de ontwikkelingen op de Balkan en de stand van
zaken met betrekking tot de samenwerking NAVO-Rusland. Ik stelde met collega's
voorts de trage opvolging aan de orde die Rusland heeft gegeven aan zijn
committering tijdens de OVSE Top van eind 1999 in Istanboel met betrekking
tot de toegang van de OVSE Assistance Group tot TsjetsjeniÎ en aan
zijn verplichtingen in het kader van het aangepaste CSE Verdrag inzake
de terugtrekking van troepen en materieel uit Transdnjestrië en Abchazië.
Ten aanzien van Kosovo hamerde Minister Ivanov op
het belang van een zo spoedig mogelijke implementatie van Veiligheidsraadsresolutie
1244 in zijn volle omvang. Ik heb hierbij aangegeven dat alle aandacht
thans moet uitgaan naar de consolidatie van interim bestuursstructuren.
Het is een juiste keuze geweest zo snel als mogelijk lokale verkiezingen
te houden. Die hebben een stem gegeven aan gematigde Kosovaren en zo de
grondslag gelegd voor een dialoog van een representatieve Kosovo vertegenwoordiging
met Belgrado. Ik heb er daarbij op gewezen dat Kosovo voor 1989 ook reeds
een eigen parlementaire vertegenwoordiging kende. Minister Albright stelde
dat de VS geen voorstander was van onafhankelijkheid van Kosovo, wel van
substantiële autonomie, maar dat de VS van mening was dat dit punt
vooralsnog niet op de agenda gezet moest worden.
Met betrekking tot Bosnië constateerde Minister
Ivanov met NAVO Ministers dat de nieuwe democratische regering in Belgrado
een steun in de rug betekent bij de implementatie van het Dayton proces.
Wat betreft de samenwerking tussen de NAVO en Rusland
constateerden Minister Ivanov en de NAVO Ministers dat er tot dusver veel
is bereikt: er is een dialoog van de grond gekomen over ontwapening en
non-proliferatie alsook over militaire strategie, doctrine en infrastructuur
en er is een basis gelegd voor samenwerking met betrekking tot 'search-and-rescue'
ter zee. Minister Ivanov liet weten dat Rusland uit is op een stapsgewijze
uitbouw van de samenwerking. Er is een werkprogramma voor de samenwerkingsactiviteiten
voor 2001 overeengekomen. Overeenstemming bestond ook over de voorwaarden
waaronder een NAVO informatie- en documentatiekantoor in Moskou zal kunnen
opereren. Minister Ivanov was echter niet bereid voor de opening een datum
vast te leggen, aangezien Moskou zich ernstig had gestoord aan de kritische
opmerkingen met betrekking tot Tsjetsjenië in het NAVO-communiqué.
Ik heb aangegeven een diepgaande discussie over Theatre
Missile Defence als een bijzonder belangrijk punt op het werkprogramma
voor 2001 te beschouwen. Ik heb verder het Russische initiatief in 2001
te komen tot NAVO-Rusland samenwerking inzake 'search-and-rescue' ter
zee verwelkomd als een constructieve bijdrage aan de verbreding van de
samenwerking en daarbij herinnerd aan de financiële steun die de
Regering voor de Koersk-bergingsstudie in het vooruitzicht heeft gesteld.
En marge van de vergaderingen had ik onder meer gesprekken
met Minister Albright en de Canadese Minister Manley.
Resultaten paragraaf 32 proces
Mede naar aanleiding van het verzoek van de Vaste
Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken om toezending van het NAVO-document,
waarin de uitkomsten van het zogeheten paragraaf 32 proces zijn neergelegd,
heb ik de eer U hierbij het document te doen toekomen zoals dat door de
Ministeriële Noord-Atlantische Raad van 14 december 2000 is publiek
gemaakt. De ministers gaven de NAR in permanente zitting de opdracht de
tenuitvoerlegging van de erin vervatte aanbevelingen krachtig ter hand
te nemen. Voorts zal de NAVO haar beleid vanzelfsprekend aan de ontwikkeling
van de internationale veiligheidspolitiek blijven toetsen.
Mede namens de Minister van Defensie kan ik de Commissie
als volgt berichten over het verloop en het thans voorliggende resultaat
van het paragraaf 32 proces. Het proces was een uitvloeisel van paragraaf
32 van het communiqué van de NAVO-Top van Washington, waarin het
Bondgenootschap besloot, in het licht van de algemene strategische ontwikkelingen
en de verminderde prominentie van kernwapens, opties te overwegen voor
vertrouwenwekkende maatregelen, verificatie, non-proliferatie, wapenbeheersing
en ontwapening. Aangezien het eveneens tijdens de NAVO-Top aangenomen
Strategische Concept het uitgangspunt voor de discussie vormde, bevat
het document geen wijzigingen van het bondgenootschappelijke nucleaire
beleid. Ook Nederland hecht aan de uitgangspunten van het nucleaire beleid
van de NAVO.
Mede op basis van Nederlandse voorstellen heeft de
Ministeriële Noord-Atlantische Raad van december 1999 de aanzet gegeven
tot inhoudelijke discussie in de verschillende NAVO-fora, zoals de High
Level Group(HLG), de Senior Defense Group on Proliferation (DGP) en de
Senior Politico-Military Group on Proliferation (SGP). Zoals ik U ook
berichtte in mijn brief van 27 maart 2000 over de Toetsingsconferentie
van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) heeft Nederland in dit proces een
actieve rol gespeeld, teneinde - binnen de grenzen van de vigerende NAVO-strategie
- een succes van deze exercitie te maken. Naast de indiening door Nederland
van voorstellen in de verschillende fora van het Bondgenootschap, heb
ik mijn NAVO-ambtgenoten 17 oktober jl. een brief geschreven waarin ik
heb benadrukt dat het van belang is dat de NAVO en de Bondgenoten dit
proces aangrijpen om te tonen dat de Alliantie bereid is een actieve rol
te spelen op het gebied van nucleaire non-proliferatie en ontwapening.
Er is in de diverse fora dit jaar serieus en constructief over deze onderwerpen
overleg gevoerd. Het proces heeft geresulteerd in rapportage en aanbevelingen
aan de Ministeriële Noord-Atlantische Raad van 14 december jl., die
zijn opgenomen in het thans voorliggende document.Wapenbeheersing en veiligheid
De bevordering van wapenbeheersing en ontwapening
vormt een integraal onderdeel van het bondgenootschappelijke veiligheidsbeleid,
zoals tot uitdrukking komt in het vorig jaar op de Top van Washington
vastgestelde Strategische Concept van de NAVO. Het rapport begint daarom
met een beschrijving van de internationale ontwikkelingen in het afgelopen
decennium met betrekking tot massavernietigingswapens, raketten en conventionele
wapens. Daarbij wordt ook ingegaan op de wijze waarop het Bondgenootschap
in deze jaren via steun aan wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie
heeft getracht bij te dragen aan het bereiken van zijn doelstellingen
op veiligheidsgebied.
Tegen deze achtergrond wordt vervolgens een beeld
gegeven van de uitkomst van de discussie tussen de bondgenoten inzake
mogelijke opties voor vertrouwenwekkende en veiligheidsbevorderende maatregelen,
verificatie, non-proliferatie, en wapenbeheersing en ontwapening, ten
aanzien van zowel kernwapens als conventionele wapens.
Kernwapens
De voornaamste resultaten van het proces op het vlak
van kernwapens kunnen in navolgende categorieën worden ingedeeld:
1) vertrouwenwekkende maatregelen jegens Rusland
2) nucleaire transparantie
3) non-proliferatie/ontwapeningad 1) vertrouwenwekkende maatregelen jegens
Rusland
De NAVO wil met Rusland vier specifieke vertrouwenwekkende
en veiligheidsbevorderende maatregelen met betrekking tot kernwapens nastreven:
* Het verbeteren en verdiepen van de dialoog over nucleaire strijdkrachten;
* Informatie-uitwisseling inzake de paraatheid van nucleaire strijdkrachten;
* Informatie-uitwisseling over veiligheidsmaatregelen inzake en veiligheidsaspecten
van kernwapens;
* Informatie-uitwisseling over sub-strategische nucleaire strijdkrachten.
Nederland hecht er in dit verband ook aan in het kader van mogelijke wapenbeheersingsafspraken
tussen de VS en Rusland gegevens met Rusland uit te wisselen over locaties
en aantallen kernwapens in Europa en wederzijdse bezoeken aan opslagfaciliteiten
af te leggen met inachtneming van de veiligheid van de Bondgenoten en
het NAVO-beleid. Rusland beschikt over een verhoudingsgewijs zeer omvangrijk
arsenaal aan substrategische kernwapens. Dergelijke wederzijdse maatregelen
kunnen de sfeer van openheid en vertrouwen tussen Rusland en de NAVO bevorderen.
Ook zijn zij naar de mening van de regering van belang voor het streven
naar een verdere vermindering van het aantal substrategische kernwapens
in het kader van bilaterale wapenbeheersingsafspraken en kunnen zij in
de toekomst de aanzet vormen tot verificatiemaatregelen.
ad 2) nucleaire transparantie
De NAVO zal actiever dan voorheen informatie inzake het nucleaire beleid
uitdragen en uitleggen ten opzichte van internationale organisaties, niet-gouvernementele
organisaties en het eigen publiek. De volgende elementen zullen daarbij
bijzondere aandacht krijgen:
* de drastische reducties in de aantallen bondgenootschappelijke kernwapens
die het afgelopen decennium hebben plaatsgevonden, waarbij er goede gronden
blijven voor een blijvende, maar sterk verminderde aanwezigheid van de
substrategische kernwapens in Europa;
* de rol van NAVO(-landen) in het bevorderen van non-proliferatie, wapenbeheersing
en ontwapening;
* de verminderde rol van kernwapens in het huidige veiligheidsklimaat.
Aan de wens om meer openheid over aantallen en locaties
van tactische kernwapens in Europa te geven, kan de NAVO om zwaarwegende
militair-operationele veiligheidsredenen niet voldoen. Hiervoor blijft
het huidige NAVO-voorlichtingsbeleid ("neither confirm nor deny")
gelden. Wel zal de NAVO meer openheid geven over andere aspecten van het
nucleaire beleid, zoals de sterk verlaagde paraatheid van onder meer de
"dual capable aircraft" (DCA) van de NAVO en de vergaande veiligheidsmaatregelen
met betrekking tot de wapens en hun opslag. Nederland houdt overigens
zijn kernwapentaak - en het gegeven dat de twee op Volkel geplaatste DCA-squadrons
hiermee zijn belast - niet geheim.
ad 3) non-proliferatie/ontwapening
NAVO-bondgenoten zullen zich actief blijven inzetten bij de onderhandeling
over en de tenuitvoerlegging van verdragen inzake non-proliferatie en
ontwapening. Meer in concreto houdt dit in:
* steun aan het NPV en de nucleaire non-proliferatie en ontwapeningsagenda,
zoals die is overeengekomen in het Slotdocument van de 2000 Toetsingsconferentie;
* steun voor overleg op het gebied van wapenbeheersingskwesties in de
ruimte;
* dialoog met partners (naast de RF en Oekraïne ook met de Euro-Atlantische
Partnerschaps-Raad en de Middellandse Zee-partners);
* contacten met andere internationale fora op het gebied van non-proliferatie
en ontwapening, ter bevordering van het debat in de Alliantie over deze
onderwerpen.
Conventionele wapens
Op het vlak van de conventionele wapenbeheersing
werken de NAVO-landen nauw samen in het kader van het verdrag inzake de
Conventionele Strijdkrachten in Europa (CSE). Bezien zal worden hoe de
bepalingen van het verdrag beter verwerkt kunnen worden in de NAVO-planning
voor crisisbeheersing, en in de bondgenootschappelijke training en oefeningen.
Voor wat betreft vertrouwenwekkende en veiligheidsbevorderende maatregelen
zullen de mogelijkheden bezien worden voor de ontwikkeling van dergelijke
maatregelen op regionale of subregionale basis, in het bijzonder voor
spanningsgebieden.
In de EAPR zal de discussie over mogelijke praktische
maatregelen met betrekking tot kleine wapens worden voortgezet. Daarnaast
dragen de bondgenoten, onder meer via KFOR en SFOR, bij aan de verzameling
en vernietiging van kleine wapens op de Balkan. Hetzelfde geldt voor landmijnen.
De discussie in de EAPC over dit onderwerp heeft reeds geleid tot de instelling,
in het kader van het Partnerschap voor de Vrede, van een trustfonds voor
de vernietiging van anti-personeelsmijnen.De regering beziet het uiteindelijke
resultaat met tevredenheid. Vooral de voorziene vertrouwenwekkende maatregelen
met Rusland kunnen leiden tot aanzienlijk meer nucleaire transparantie
en stabiliteit en een bijdrage leveren aan wapenbeheersingsafspraken op
dit terrein. Op het gebied van nucleaire transparantie zal de NAVO zich
actiever opstellen, al was grotere nucleaire transparantie met betrekking
tot locaties en aantallen Amerikaanse kernwapens op Europees grondgebied
voor de Bondgenoten om militair-operationele redenen niet aanvaardbaar.
De actieve inzet van de Bondgenoten op het gebied van non-proliferatie
en kernontwapening en voortdurende bespreking daarvan in de NAVO tenslotte,
zijn naar onze mening zeker als positief te omschrijven. Voor zover deze
exercitie tot doel had een toekomstgerichte agenda binnen de NAVO tot
stand te brengen op het gebied van relaties met Rusland en de inspanningen
op het wereldwijde non-proliferatie en ontwapeningsterrein (tot voor kort
niet een vanzelfsprekend gespreksonderwerp binnen de NAVO), is zij zeker
geslaagd te noemen. De actieve opstelling van ons land zal worden onderstreept
door in NAVO-verband gastheerschap aan te bieden voor een seminar van
deskundigen van Rusland en de NAVO in het kader van de te nemen vertrouwenwekkende
maatregelen.
De Minister van Buitenlandse Zaken
J.J. van Aartsen
*) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire
Documentatie
|