|
27857 Nr. 1
Brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 juli 2001
Missile Defense
Zeer geachte Voorzitter
In reactie op het verzoek van de Vaste Commissie
Buitenlandse Zaken om nadere informatie over het standpunt van de Nederlandse
regering over de Amerikaanse plannen inzake Missile Defense, hebben wij
de eer U als volgt te berichten, ten vervolge op de brieven aan Uw Kamer
inzake Missile Defense van 30 augustus 2000 (26800 V, nr. 122) en van
17 april 2001 (27400 V, nr. 68) alsmede onder verwijzing naar de antwoorden
van de Minister van Buitenlandse Zaken op vragen van het lid Van den Doel
van 14 juli 2000 (Aanhangsel Handelingen nr. 1562, Vergaderjaar 1999-2000).
(..........)
Nederlandse visie
Ontwikkeling van het strategische denken in de
VS
Omdat de uitkomsten van de Amerikaanse strategische
beleidsherziening nog niet bekend zijn, kan een afgewogen reactie daarop
op dit moment vanzelfsprekend nog niet worden gegeven. Het is op zich
begrijpelijk en opportuun voor een nieuwe regering het eigen beleid te
baseren op een grondige analyse van de situatie. Vanwege de bijzondere
rol van de VS op het wereldpolitieke toneel is een strategische beleidsherziening
een exercitie die tevens van belang is voor de rest van de wereld, ongeacht
of men bondgenoot, "strategische concurrent" of "risicoland"
is. Het valt daarom te verwelkomen dat de VS veel aandacht geeft aan overleg
met de bondgenoten, Rusland en China.
De regering onderschrijft de analyse dat de dreiging
van vandaag een andere is dan die van de Koude Oorlog. Reeds in de brief
aan Uw Kamer van 20 mei 1998 over de proliferatie van nucleaire, biologische
en chemische wapens en de Nederlandse Krijgsmacht (26051, nr.1), is destijds
uiteengezet dat "de massale, nucleaire dreiging die de Koude Oorlog
kenmerkte, is verdwenen. De dreiging is sindsdien diffuser geworden en
beperkt zich niet meer tot het interstatelijke slagveld...Naarmate de
proliferatie van technologieën en deskundigheid voortschrijdt, zullen
echter meer groeperingen, en zelfs individuen, in staat zijn een aanslag
te plegen, ook op Nederlands grondgebied".
Een gewapend conflict, laat staan een nucleaire oorlog,
tussen NAVO en Rusland is verder weg dan ooit. Dit is ook reeds onderstreept
in het jongste Strategische Concept van de NAVO. De bedreigingen van de
komende jaren zijn veelvoudig en de groeiende capaciteit van sommige risicolanden
op het gebied van ballistische raketten en massavernietigingswapens vormt
daarvan een deel. In hoeverre deze beschikbaarheid van capaciteiten ook
tot een daadwerkelijke dreiging leidt, hangt mede af van de intenties
en de geloofwaardigheid van de proliferator in kwestie en van de waarschijnlijkheid
dat hij deze capaciteiten inzet. In zijn algemeenheid kan echter gesteld
worden dat extra capaciteiten op het gebied van ballistische raketten
en massavernietigingswapens dwingen tot nadenken, ook over een defensieve
respons. Het antwoord op deze dreiging dient echter een breder spectrum
te beslaan, strekkend van non-proliferatie/wapenbeheersing, defensieve
systemen en politieke conflictoplossing.
Naar de opvatting van de regering moet zoveel mogelijk
worden gestreefd naar multilaterale i.p.v. unilaterale antwoorden op het
probleem van de verspreiding van massavernietigingswapens en ballistische
raketten. Eerste prioriteit daarbij is versterking en verdere ontwikkeling
van het internationale stelsel van non-proliferatie en wapenbeheersing
en ontwapening.
Raketverdediging vormt ook een deel van dat antwoord
(waarop hierna wordt ingegaan), maar invoering van MD-systemen tegen intercontinentale
ballistische raketten mag niet ten koste gaan van de strategische stabiliteit
tussen de kernwapenstaten of van de internationale structuur van non-proliferatie
en wapenbeheersing.De centrale toetssteen voor de regering is of de invoering
van MD-systemen leidt tot meer of tot minder veiligheid. Dit houdt naar
de mening van de regering in dat de ontwikkeling en invoering door de
VS van een - beperkte - capaciteit tot raketverdediging tegen intercontinentale
raketten niet ten koste mag gaan van de internationale strategische stabiliteit,
inclusief het stelsel van non-proliferatie en wapenbeheersing. Daarom
dringt de regering er bij de VS op aan, zoals onder meer de Minister van
Buitenlandse Zaken in bijeenkomsten van de ministeriële NAR heeft
gedaan en tijdens de jongste mini-NAVO-top op 13 juni de Minister-President
eveneens naar voren heeft gebracht, niet tot unilaterale opzegging van
het ABM-verdrag over te gaan. Het ABM-verdrag is niet heilig en zou in
onderlinge overeenstemming tussen de VS en Rusland aangepast of vervangen
kunnen worden, maar unilaterale stappen van de VS kunnen leiden tot ongewenste
en de stabiliteit juist bedreigende tegenreacties (mogelijk hervatte wapenwedloop,
proliferatie).
Zoals aan Uw Kamer is bericht per brief van 17 april
jl. (27400 V, nr. 68), heeft de Minister van Buitenlandse Zaken ondermeer
tijdens zijn recente bezoek aan Washington in dit verband benadrukt dat
voortzetting van intensieve consultaties met Moskou van groot belang is;
naar de stellige indruk van de regering is president Poetin bereid op
serieuze wijze overleg te plegen met Washington. Richting Rusland is de
boodschap, zoals reeds door o.a. Duitsland uitgedragen, dat het ook in
het Russische belang is greep op het proces te houden door met de VS een
aanpassing van het ABM-verdrag, c.q. een vervanging door een nieuw verdrag,
overeen te komen. Uitgangspunt is daarbij voor de regering dat stabiliteit
zo veel mogelijk moet berusten op wederzijdse afspraken en een nucleair
afschrikkingspotentieel op een zo laag mogelijk niveau. Voor de geloofwaardigheid
van dit streven is nodig dat sprake is van resultaten in de vorm van verdergaande
kernwapenvermindering en van verifieerbare overeenkomsten. Wapenbeheersing
op basis van unilaterale maatregelen is inherent instabiel, en verificatie
ontbreekt. De ervaringen met wederzijdse unilaterale reductie van de VS
en Rusland inzake de tactische kernwapens in Europa zijn ook niet positief;
de grootscheepse reducties aan NAVO-zijde in de jaren negentig zijn niet
werkelijk beantwoord door Rusland (precieze aantallen zijn niet duidelijk,
vanwege het ontbreken van verificatie). Niet moet uit het oog worden verloren
dat hoewel de verhoudingen in Europa sterk zijn verbeterd, er nog altijd
sprake is van grote hoeveelheden kernwapens aan Russische kant, zowel
strategische als tactische. Deze wapens zijn een strategische realiteit
die niet te loochenen is en vormen door hun aanwezigheid een reëel
veiligheidsprobleem. Dit onderstreept het belang van verifieerbare reductieafspraken
tussen RF en de VS.
Een selectieve benadering van multilaterale wapenbeheersingsverdragen
en non-proliferatieregiems draagt het risico in zich van ondermijning
van dit collectieve veiligheidssysteem en kan tot destabilisering en grotere
proliferatie leiden. Nederland is niet blind voor de feilen die er in
de regiems zitten, maar is van mening dat dit de regiems niet ten principale
delegimiteren. Verdragen en internationale afspraken inzake wapenbeheersing
en non-proliferatie dienen juist versterkt te worden en ook in onderlinge
samenhang bekeken. Ook al bieden de bestaande verdragen en wapenexportregimes
geen waterdichte garantie, zij vormen een onontbeerlijk deel van het antwoord
op de proliferatie van massavernietingswapens en ballistische raketten;
meer dan dat: zij zijn de eerste prioriteit bij het zoeken naar een antwoord
op deze proliferatie. Nederland is traditioneel zeer actief op dit vlak,
getuige ondermeer onze bijdragen aan de diverse non-proliferatie-onderhandelingen,
met als voorlopig hoogtepunt de rol van ambassadeur Ramaker bij de totstandkoming
van het Alomvattend Kernstopverdrag, ons gastheerschap van de OPCW en
het voorzitterschap van het Missile Technology Control Regime (MTCR),
dat heeft geleid tot een ontwerp Gedragscode inzake non-proliferatie van
ballistische rakett
In het kader van het versterken van het stelsel van
internationale non-proliferatieregimes dringt de regering er ook bij de
VS op aan het internationale streven naar wapenbeheersing en non-proliferatie
actief te blijven steunen. Met name moet er bij de Amerikaanse regering
op worden aangedrongen te ijveren voor ratificatie door de Senaat van
het Alomvattend Kernstopverdrag en steun aan een effectief Protocol bij
het Biologische Wapensverdrag. Evenzeer spreekt de regering landen als
Rusland, India, Pakistan en Iran aan op hun non-proliferatieverplichtingen
en spoort hen aan het internationale non-proliferatie- en wapenbeheersingssysteem
verder te helpen versterken.
Een volgend element van het antwoord op de dreiging
is onze inzet voor politieke oplossingen voor de tegenstellingen en conflicten
die ten grondslag liggen aan het streven van landen massavernietigingswapens
en ballistische raketten te verwerven of te ontwikkelen. Bij wijze van
voorbeeld kan verwezen worden naar de recente pogingen tot een verbetering
in de verhouding en op het Koreaanse schiereiland te komen, waarbij ook
de EU voor zichzelf een rol ziet weggelegd -zoals tot uiting kwam bij
het recente bezoek van de EU-troika aan Noord Korea.
Rol voor raketverdedigingssystemen en eventuele samenwerking
op dit gebied
Defensieve systemen vormen naar Nederlandse opvatting
ook deel van het antwoord. Voor Nederland gaat het daarbij om TMD. Er
bestaat naar de opvatting van de regering op dit moment onvoldoende aanleiding
over te gaan tot - de zeer omvangrijke - investeringen benodigd voor de
ontwikkeling van een strategische raketverdediging voor de Europese bondgenoten,
d.w.z. een capaciteit tegen mogelijk inkomende lange-afstandsraketten
uit "staten van zorg". Gezien de Nederlandse inspanningen in
het kader van de NAVO (DCI) en de Europese Unie is het ook onwaarschijnlijk
dat er financiële ruimte is voor een Nederlandse bijdrage aan de
ontwikkeling van strategische raketverdedigingssystemen.
Wel is er een reeds bestaande bedreiging van NAVO-grondgebied
en van landen in regionale conflictsituaties door tactische ballistische
raketten. Dat betekent dat zeker moet worden ingezet op verdere opbouw
van een capaciteit op het gebied van verdediging tegen tactische ballistische
raketten, die uitgezonden eenheden en bepaalde objecten en bevolkingscentra
in crisisgebieden in geval van een regionaal conflict bescherming biedt
tegen raketten in het desbetreffende operatiegebied. Over de noodzaak
hiervan bestaat ook binnen het bondgenootschap overeenstemming. Europese
bondgenoten, met inbegrip van Nederland, kunnen zich daarom vooralsnog
richten op de ontwikkeling en de aanschaf van TMD-systemen, zoals de Patriot
Advanced Capability-3 (PAC-3) van de Koninklijke Luchtmacht en mogelijk
van systemen aan boord van LCF-fregatten van de Koninklijke Marine.
Omdat er sprake is van toenemende verspreiding van
rakettechnologie, zal de ontwikkeling van de dreiging wel op de voet moeten
worden gevolgd. Dit betekent ook dat de Europese bondgenoten moeten openstaan
voor verdere samenwerking met de VS (en met Rusland) bij het zoeken van
antwoorden in de sfeer van raketverdediging.
In dat verband verdient ook de dialoog met Rusland
in NAVO-kader (in de Permanente Gemeenschappelijke Raad) over ondermeer
de dreiging, proliferatie, TMD en sub-strategische kernwapens bijzondere
aandacht. Hoewel de PGR-dialoog formeel los staat van de Amerikaanse-Russische
besprekingen inzake het ABM-verdrag, ligt er wel een politieke koppeling
tussen beide. Rusland ziet de gesprekken in de PGR wellicht als een mogelijkheid
de Europese bondgenoten te overtuigen van de onjuistheid van de Amerikaanse
plannen, maar zij bieden voor de NAVO-landen aan de andere kant de mogelijkheid
te trachten met Rusland zoveel mogelijk tot een gemeenschappelijke dreigingsanalyse
te komen en de mogelijkheden voor eventuele samenwerking op deelgebieden
te bezien. Vanuit dat perspectief dienen de Russische voorstellen voor
TMD-samenwerking dan ook in eerste instantie te worden bezien. Daarnaast
zal Rusland erop moeten worden aangesproken dat zijn eigen nucleaire samenwerking
met landen als Iran en India het proliferatiegevaar doen toenemen. Ook
nieuwere non-proliferatie-initiatieven als de Non-proliferation and Disarmament
Co-operation Initiative (inzake het opruimen van de restanten van de Koude
Oorlog) dienen een plaats te krijgen in een dergelijke aanpak.
Samengevat luidt het standpunt van de regering derhalve
als volgt, met de kanttekening dat het hier een eerste stellingname betreft,
aangezien in de VS op een groot aantal punten nog geen concrete conclusies
zijn getrokken:
1.De bedreigingen van de komende jaren zijn veelvoudig
en de groeiende capaciteit van sommige risicolanden op het gebied van
ballistische raketten en massavernietigingswapens vormt daarvan een deel.
De NAVO als geheel dient zich hiervan rekenschap te geven.
2. Het antwoord op deze ontwikkelingen zal zich niet
moeten beperken tot militaire middelen, maar in eerste instantie moeten
bestaan uit politieke, diplomatieke en economische middelen.
3. Behoud en verdere ontwikkeling van de structuur
van internationale non-proliferatie en wapenbeheersingsovereenkomsten
vormen kernelementen van een dergelijke aanpak Het is van belang dat de
VS deze structuur actief blijven steunen en verder helpen ontwikkelen,
o.m. vanwege het belang van doeltreffende verificatie van reducties en
limieten. Een selectieve benadering door de VS kan dit stelsel ondergraven.
4. De beoogde verdediging tegen strategische raketten
van risicolanden mag geen afbreuk doet aan de strategische stabiliteit
tussen de belangrijkste kernwapenstaten en aan multilaterale wapenbeheersing.
Nederland dringt er daarom bij de nieuwe administratie er op aan te blijven
streven naar overeenstemming met Rusland over de aanpassing c.q. vervanging
van het ABM-verdrag - d.w.z. geen unilaterale Amerikaanse opzegging van
het verdrag - alsmede op een dialoog met China.
5. De voor de hand liggende oplossing is het ABM-verdrag
zodanig aan te passen, c.q. door een nieuwe overeenkomst te vervangen,
dat de plaatsing van MD in een beperkte configuratie toestaat, maar niet
die van een omvangrijker systeem dat het strategische evenwicht tussen
de VS en Rusland ondergraaft. Wat betreft China blijft de kans ook dan
reëel dat MD de strategische verhouding met dat land aantast.
6. De regering zal in bondgenootschappelijk verband
in de toekomst een bijdrage blijven leveren aan de verdere ontwikkeling
van TMD-systemen. Voor een Nederlandse bijdrage aan de ontwikkeling van
strategische raketverdedigingssystemen voor Europa is vooralsnog geen
aanleiding en ook financieel geen ruimte.
7. Uitbouw van een brede veiligheidsdialoog met Rusland
maakt deel uit van het behoud van stabiliteit in Europa. De dialoog en
eventuele samenwerking inzake TMD met Rusland in NAVO-kader neemt hierin
een belangrijke plaats in, maar ook bespreking van de zorgen over Ruslands
nucleaire samenwerking met landen als Iran en India.
8. De regering verwelkomt dan ook het belang dat
de Amerikaanse regering wil geven aan overleg en samenwerking met de bondgenoten
en andere landen, waaronder Rusland. Nederland zal een actieve rol spelen
in het overleg binnen de NAVO over "missile defense" en een
"new cooperative relationship" met Rusland.
De regering zal zich in de komende periode blijven
inzetten langs bovengenoemde lijnen, zowel in NAVO-kader, als bilateraal
en in de multilaterale non-proliferatie-, wapenbeheersings- en ontwapenings
fora.
DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
J.J. van Aartsen
DE MINISTER VAN DEFENSIE
F.H.G. de Grave
|