Rendra: 'Ik geef de mensen vragen mee' door: Yvette Lawson Afgelopen juli was de Indonesische dichter Rendra in Nederland te gast bij Poetry International. Op 4 juli ontving Rendra samen met de jonge dichter Widji Thukul de eerste prijzen van de Stichting Wertheim en op 13 juli trad hij op tijdens een door Majalah Tanah Air en vrienden georganiseerde poezie-avond: 'Expressie onder Repressie'. In september was Rendra opnieuw in Nederland als deelnemer aan 'Indonesia Nu', een driedaagse manifestatie georganiseerd door TELEAC, de NOVIB en het Tropenmuseum. IFM had een gesprek met hem. Hij noemt zichzelf Rendra, zonder W.S. ervoor, 'zoals bijna wel altijd gebeurt in de Indonesische kranten'. Dichters en artiesten zijn in zijn ogen vooral 'waarnemers en getuigen van de sociale werkelijkheid; pleitbezorgers van reflektie en overdenking'. Politiek karakteriseert hij zichzelf als 'nationalist', maar hij stelt ook dat hij er geen rigide ideologieen op na houdt en zeker geen politieke aanleg heeft. Rebellie is voor hem vooral een middel om de grenzen en beperkingen van de menselijke situatie te verruimen. Die beperkingen liggen volgens Rendra voor een deel in de mens zelf, voor een deel daarbuiten. Er zijn volgens hem absolute grenzen aan het menselijk bestaan: geboorte, levenslot en dood. Maar ook tijdelijke zaken, zoals godsdienstige dogma's, politieke doktrines, armoede, slechte sociale omstandigheden en bekrompenheid, kunnen volgens Rendra beperkingen aan de eigen groei opleggen. Rendra ziet zichzelf het liefst als een kunstenaar die, middels zijn gedichten en theaterstukken, het publiek aanzet tot vitaliteit en weerbaarheid. Zijn protesten zijn protesten tegen alles wat 'de volheid van het leven bedreigt'. Rendra, geboren op 7 november 1935 in Solo, is sinds jaren een van de meest spraakmakende dichters in Indonesia. Maar ook buiten de landsgrenzen is hij niet onbekend. Zijn dichtbundels verschenen in het Engels, Nederlands, Duits, Frans, Japans, Russisch en andere talen. Eind september verscheen bij uitgeverij De Geus 'Ijzeren Wereld', een bloemlezing van zijn gedichten, vertaald door Kees Snoek. Aanvaringen met het gezag Hoewel Rendra wat betreft zijn werk in Indonesia grote erkenning geniet, blijkens regeringsprijzen die hij in het verleden ontving, worden zijn voordrachten en toneeluitvoeringen regelmatig verboden. Eind 1973 begin 1974 werd hem twee jaar lang verboden op te treden als gevolg van de uitvoering van het toneelstuk 'De mastodon en de condor'. In 1977 kreeg hij vlak voor de verkiezingen opnieuw een verbod om op te treden. In 1978 zat hij drie maanden in voorarrest vanwege voordrachten die hij hield bij studentenakties tegen het Suharto-regiem en het ten gehore brengen van protestgedichten op een bijeenkomst in het belangrijkste kultuurcentrum van Jakarta, Taman Ismail Marzuki (TIM). Tussen 1985 en 1990 werd hem minder in de weggelegd. Zijn stukken moesten weliswaar aan de censuur voorgelegd worden, maar optredens werden niet verboden. Het verkrijgen van toestemming van de politie om op te mogen treden blijft echter een omslachtige en omstreden procedure. De direktie van een kultureel centrum hoort namelijk minstens vier referenties van andere instituties te krijgen voordat de politie optredens toestaat. Toestemming moet altijd gegeven worden door: het kultureel bureau en het direktoraat van sociale en politieke zaken, beiden vallend onder de gemeente, het toerismebureau en de strategische inlichtingendienst (BAIS), resorterend onder het ministerie van defensie en veiligheid. De soepeler houding tegenover Rendra veranderde toen hij in Malang het gedicht 'Bericht van een zakkenroller aan zijn vriendin' niet voor mocht lezen en kort daarop ook in Semarang gedeeltelijke voordrachtverboden kreeg opgelegd. In november 1990 kreeg Rendra vlak voor de opening van een festival rond het twee-en-twintigjarig bestaan van TIM van de direkteur van het kulturele centrum te horen dat de politie was langsgeweest. Het voordragen van de twee gedichten 'Voor de mensen van Rangkasbitung' ('Demi orang-orang Rangkasbitung') en 'Gebed van een jongeling uit Rangkasbitung in Rotterdam' ('Doa seorang pemuda Rangkasbitung di Rotterdam') werd verboden, aldus een brief van luitenant-kolonel Bachri, waarin verder geen motieven genoemd worden. Acheraf verklaarde een politiewoordvoerder tegenover de pers dat de twee gedichten 'de veiligheid en orde in de samenleving verstoren' en geen rekening houden met de 'vier gevoelige onderwerpen: religie, etnische identiteit, ras en sociale konflikten'. Rendra zag na dit verbod af van deelname aan het festival. Maar zijn wraak was zoet. Toen een groep van zeventig vooraanstaande personen uit de kunstwereld op 5 december een bezoek bracht aan het 'parlement' (de DPR) om te protesteren tegen de kunstcensuur, droeg Rendra het gedicht 'Voor de mensen van Rangkasbitung' voor (zie IFM 16/1). In januari 1991 kreeg hij alsnog toestemming om de twee gedichten in een programma bij TIM ten gehore te brengen. Desalniettemin gaan de aanvaringen met het Indonesische gezag gewoon door. Vlak voor zijn komst naar Nederland raakte hij in diskussie met de Indonesische minister van defensie, generaal Benny Murdani. Rendra stelde in een publiekelijk debat dat het harde optreden van de overheid tegen studenten in het verleden en heden 'apathie en pessimisme onder de jongeren gekreeerd heeft en tegelijkertijd de jonge generatie een ontwikkeling van kreatieve ideeen onthouden heeft'. Volgens Rendra leveren de universiteiten door het optreden van de overheid 'werkloze akademici die elke vorm van dynamiek en kreativiteit missen'. Murdani weet tegen deze aanval slechts in te brengen dat Rendra geen notie heeft van de Indonesische politiek en dat de bekrompenheid waar hij opdoelt vooral aanwezig is bij personen die kritiek op de regering uiten. Een natie, een taal Wanneer ik Rendra na afloop van de poezie-avond 'Expressie onder Repressie ' spreek, zit hij een beetje bij te komen van de forumdiskussie waarmee de avond afgesloten is. In de diskussie is hem het vuur aan de schenen gelegd over wat Rendra 'het belang van de eenheidsstaat' noemt. Rendra heeft grote bewondering voor personen als Sukarno, zeker waar het gaat om diens inzet voor het kreeren van de natie Indonesia. In Rendra's ogen kunnen gevaren als neokolonialisme en neo-imperialisme alleen afgewend worden als er een Indonesia is met een taal. Dat is de enige manier waarop volgens hem voorkomen kan worden dat (deelgebieden van) Indonesia satellietstaten worden van rijke landen. Een begrip als 'nationalisme' heeft voor Rendra geen negatieve bijklank. Het zijn volgens Rendra de rijke landen die de term 'nationalisme' graag die bijklank geven. De dichter stelt de hypokratie van rijke landen graag aan de kaak, evenals het kolonialistisch denken en handelen van machthebbers in die landen. Bijvoorbeeld in het gedicht 'Voor de mensen van Rangkasbitung', waaruit een gedeelte dat niet in IFM 16/1 gepubliceerd werd: (...) De leiders van de ontwikkelde landen mogen dan wel tranen plengen wanneer ze het tegen hun kinderen over demokratie hebben maar in hun zwembaden nemen ze net zo gemakkelijk de telefoon op om hun steun toe te zeggen aan de tirannen van andere landen om wille van de materiele voordelen voor hun eigen volk (...) Ik zie de ontwikkelde landen ekonomisch steun geven En als resultaat raken veel mensen uit de ontwikkelingslanden hun land kwijt, opdat de rijken golf kunnen spelen, of opdat een dam kan worden aangelegd waarvan de opgewekte elektriciteit bestemd is voor de industrie die met buitenlands kapitaal werkt. En het ongelukkige volk, Heer, krijgt schadevergoedingen voor elke vierkante meter van zijn land ter waarde van een pakje Amerikaanse sigaretten. (Vertaling in: Ijzeren Wereld, De Geus, door Kees Snoek). Met zoals hij zegt 'zijn toewijding aan de opbouw van de natie' wil hij de situatie in West-Papua (door Rendra aangeduid als Irian Barat) en Oost-Timor niet goedpraten: 'De situatie in beide gebieden is erg slecht. Ik verzet mij tegen dergelijke vormen van repressie, maar ik ben, zoals eerder opgemerkt, toegewijd aan het bouwen van de Indonesische natie. Het bestrijden van onrecht in Irian Barat en TimorTimur zou een "package-deal" moeten zijn met het bestrijden van onrecht in Indonesia'. Hij kiest zijn woorden in de publieksdiskussie met zorg. West-Papua en Oost-Timor zijn zaken waar bekende figuren als Rendra zich beter niet aan wagen, alhoewel het hem spijt dat hij beide gebieden nooit bezocht heeft, geen 'getuige is geweest en op basis daarvan getuigenissen geschreven heeft'. 'Nationalisme', mag volgens Rendra, 'nooit een legitimatie voor onderdrukking vormen. Ik heb de situatie in Irian en Timtim altijd aan de kaak gesteld en nooit enig kompromis gedaan. We praten erover in moskeeen, overal, met alle gevolgen vandien. Maar dit betekent niet dat ik voor af scheidingsbewegingen ben, omdat ik altijd het gevaar van de belangen van de industrieele landen voorop stel'. Rendra's pleidooi voor de natie Indonesia betekent niet dat hij het huidige regiem kritiekloos aanvaard. Maar over het strijden voor veranderingen stelt hij: 'Onze strijd zou niet op optimistische of pessimistische inschattingen gebaseerd moeten zijn, maar op een realistisch kennen van de waarheid, de moed alle moeilijkheden voor de toekomst onder ogen te zien en de energie om stappen voorwaarts te doen. Ik durf de situaties aan'. Over de huidige regering stelt hij: 'De centrale regering koloniseert elk deel van het land en verzwakt in feite de natie. Buiten Java is er nauwelijks ontwikkeling. Ontwikkeling daar betekent uitbuiting van de plaatselijke bevolking door Javanen. Het politieke en ekonomische leven zijn volledig gecentreerd in en om Jakarta. We moeten dus vechten voor een meer demokratische ontwikkeling, ekonomisch, politiek en kultureel. Dit betekent niet dat we automatisch tot een verdeling van het land moeten komen. Dat is precies wat landen als de Verenigde Staten en andere geindustrialiseerde landen willen, dat we verdeeld zijn in kleine naties en hun kont likken'. Rendra heeft een hardgrondige hekel aan bureaukratie en stelt hierover: 'Elke natie kent bureaukratie, maar Indonesia heeft er te veel van. In Indonesia zijn het de bureaukraten die de ekonomie en de samenleving domineren en korrumperen. Zij denken de natuurlijke orde te vertegenwoordigen'. Hij haat indoktrinatie, lesjes die van bovenaf gegeven worden. 'Dat is', aldus Rendra, 'wat de regering met de bevolking wil doen'. Mens onder mensen Als hij de keus had, zou hij het liefst voor een klein publiek optreden, omdat hij de intimiteit en reakties van het gehoor nodig heeft. Soms lukt dat, als men een optreden uit de publiciteit weet te houden: 'Dan kunnen we in Indonesia optreden voor zo'n duizend tot tweeduizend mensen. Maar als mensen er achter komen dat we (Rendra en zijn Bengel-theatergroep, red.) optreden, dan breken zij als het moet door de muren heen'. Kunstenaars zijn volgens Rendra 'agents of contemplation': 'Het is gevaarlijk wanneer een samenleving vanwege een hektische industrialisatie, politiek of welke vorm van aardse zaken dan ook, in een staat komt te verkeren dat er alleen nog sprake is van aktie en reaktie. Je kunt alleen volledig mens zijn als je gedrag bestaat uit akties, reakties en overdenkingen. Een 'agent van contemplatie' kan zich keren tegen politieke beslissingen, religieuze, politieke of ekonomische machthebbers, omdat het enige waarin hij geinteresseerd is, de gezondheid van het leven zelf is. Ik heb geen artistiek credo. Mijn levensfilosofie is: de energie en de schoonheid van, het recht en de mogelijkheid op leven te beschermen. De dingen waarover ik schrijf komen van mijn publiek. Ik ontvang heel veel brieven waarin mensen uitleggen wat er met hen aan de hand is, wat er in hun dorpen gebeurt. Soms bezoek ik mensen in ziekenhuizen en gevangenissen. Maar het is moeilijk om toestemming te krijgen een gevangenis te bezoeken.' Rendra is vooral een kunstenaar en een mens die een scherp oog heeft voor sociale misstanden. Zijn wapen is de taal. Daarbij is humor een middel om afstand te nemen van zaken, te kunnen lachen over jezelf. Inzet van zijn optredens, gedichten en theaterstukken is zoals hij zegt: ' De mensen vragen mee te geven'. Vrijheid zou een vrijheid voor het volk moeten zijn en niet voor de bureaukraten. Maar uiteindelijk heeft hij als dichter maar een getuigenis te doen: 'Wij allen zijn slechts mensen'. Dat moet Rendra ook gedacht hebben toen hij samen met de militaire sekretaris van Suharto, generaal-majoor Syaukat Banjaransari, de plannen aankondigde voor het houden van een grootse poezie-avond op 17 augustus jongstleden. Aan de avond in het Charil Anwar park, Jakarta, werd onder andere deelgenomen door de minister van politieke zaken en veiligheid, Sudomo, de minister van onderwijs en kultuur, Fuad Hassan, de zakengigant Liem Sioe Liong. Even werden de machthebbers, waar Rendra zich graag zeer kritisch over uitlaat, in de schoenen van dichters gezet, in de hoop dat in ieder geval zij in de toekomst kunst niet meer als vijand beschouwen. Rendra roept inderdaad vragen op: Welke intimiteit van welk publiek zoekt hij?