Freeport: 'goede buur' in West-Papua door: Mariel Otten Freeport is weer in het nieuws. Freeport is de Amerikaanse onderneming die in de zestiger jaren tekende voor de eerste buitenlandse investering die werd goedgekeurd door het Suharto-regiem, kort daarvoor aan de macht gekomen via een bloedige machtsgreep. De handtekeningen werden op 7 april 1967 onder het kontrakt gezet, twee dagen voordat de zogenaamde 'Act of No Choice' geschiedenis werd. Het bedrijf staat thans op het punt de exploitatie van goud en koper aanzienlijk uit te breiden in het verder ekonomisch weinig ontwikkelde West-Papua. De ertsvoorraden in dit deel van West-Papua werden al in 1936 door een jonge Nederlandse geoloog ontdekt, maar het zou tot 1967 duren voordat Freeport de Ertsberg, gelegen op 100 kilometer ten noorden van het stadje Timika aan de zuidkust van Papua, ging exploiteren. Er bevinden zich grote voorraden goud, zilver en koper. Onlangs werden in de Grasberg (3 kilometer van de Ertsberg) opnieuw enorme voorraden aangetroffen. Deze plek wordt waarschijnlijk de grootste open mijn ter wereld, met een verwachte produktie van 57.000 ton kopererts per dag. Onlangs werd bekend dat Freeport naast de export van koperkoncentraat ook ongekende hoeveelheden goud en zilver verscheept naar Japan, de Filippijnen, Zuid-Korea, Bulgarije en de Verenigde Staten. Ongekend betekende in dit geval ook dat het Indonesische ministerie van handel er niet van op de hoogte was gesteld. Mini Amerika Freeport kreeg indertijd een koncessie voor 10.000 ha. In 1972 werd de eerste lading kopererts verscheept. Van dit gebied is nog maar 70% verkend en de onderzoeken gaan verder. Op dit moment produceert de mijn naar schatting 36.000 ton kopererts per dag, waarvan 40% koperkoncentraat die naar Japan wordt geexporteerd. Freeport bouwde tegenover de Ertsberg de koperstad Tembagapura. Het stadje telt momenteel 8.000 inwoners, waarvan 7.400 werknemers van Freeport zijn. Van die werknemers is 75% Indonesisch, maar slechts 13% Papua. Het laagstbetaalde dagloon is Rp 5.000 (tegen Rp 2.000 in Jakarta), maar de levenskosten in de stad zijn dan ook veel hoger. De rest van de stadsbevolking wordt gevormd door Amungwe-stamleden, die hun woonplaatsen in de Waa vallei hebben moeten inruilen voor armzalige hutten aan de rand van de mijnstad. Kortgeleden werden zeventien bewoners gedood door een moddervloed die door de buitenwijken raasde. Van traditionele grondrechten had Freeport nog nooit gehoord. Er is nooit enige kompensatie geboden. Onlangs werd nog zonder waarschuwing vooraf de groententuin van een Amunge-familie platgewalst ten behoeve van fabrieksuitbreiding. De traditionele wisselbouw van de Amungwe in de Waavallei was al niet meer mogelijk vanaf 1972 toen de exploitatie van de mijnen een aanvang nam. Niet alleen de Amungwe zijn slachtoffer van de ontwikkeling geworden. Ook andere stammen, zoals de Arwandop en de Tsinga, bewoonden vroeger de vallei van Tembagapura, waar nu de koperstad is gebouwd. Het waren welvarende tabaksproducenten. Tabak vervulde bovendien een sleutelrol in het sociale verkeer en de onderlinge verhoudingen. Tembagapura is overigens een vreemde verschijning in het oerwoud: een soort 'mini Amerika', kompleet met tennisbanen, luxe restaurants en bars. Behalve Tembagapura legde Freeport ook een weg aan van de stad naar de mijn (104 kilometer), een haven bij Amamapare, een stad en vliegveld bij Timika, een pijpleiding naar de haven (115 km) en de langste kabelbaan ter wereld. Uitbreiding De koncessie van 1967 werd in 1989 omgezet in een exploitatievergunning, die in 1992 zou aflopen, maar in juni werd de koncessie met 20 jaar verlengd en het areaal uitgebreid tot 2,5 miljoen hektare. Het koncessiegebied strekt zich dan uit tot de grens met PNG. Het bedrijf wordt wel verplicht nog meer belasting af te dragen aan de Indonesische staat. Indonesia ontvangt dan jaarlijks ongeveer US $15 miljoen. Tussen 1974 en 1990 zou Freeport de belastingkas al met US $230 miljoen gespekt hebben. Tussen nu en 2010 moet het bedrijf haar aandelen bovendien terugbrengen tot 40%, tenzij het aandelen op de beurs in Jakarta aanbiedt. In het laatste geval mag Freeport een aandeel van 55% houden. Op dit moment bezit de Indonesische overheid 10% van Freeport's aandelen. Binnenkort zal nog eens 10% verkocht worden aan Aburizal Bakrie, die er US $213 miljoen voor neer zal tellen. Een andere voorwaarde van het nieuwe kontrakt is dat Freeport verplicht wordt een kopersmelterij in Oost-Java te bouwen. Het bedrijf is echter van mening dat er al voldoende kopersmelterijen op de wereld zijn en bovendien wenst Japan alleen het koperkoncentraat af te nemen, niet het gesmolten koper. Volgend jaar breidt Freeport zijn aktiviteiten dus drastisch uit; het betreft een investering van US $500 miljoen. Hiermee zal de totale investering van Freeport in West-Papua groeien tot over US $1,2 biljoen. Naast de uitbreiding van de koperertsproduktie zal ook de exploitatie van goud groeien tot 65% van Indonesia's totale produktie. De Australische onderneming Petrosea maakt het vliegveld van Timika geschikt voor het binnenvliegen van Boeings. Slecht imago Gedurende lange tijd was het gebied van Freeport ontoegankelijk voor buitenstaanders. Begin 1978 werd het de Amungwe, de oorspronkelijke bewoners, verboden nog langer de vestiging in Tembagapura, het vliegveld in Timika en andere gebieden van Freeport te betreden. Militairen grendelden de zone af, onder meer uit angst voor aanslagen van de OPM (Organisasi Papua Merdeka). Ook vandaag nog worden bezoeken aan het koncessiegebied 'ontmoedigd'. Het vliegveld van Timika wordt bewaakt niet door het Indonesische leger maar door bewapend veiligheidspersoneel van Freeport zelf. Freeport probeert ook iets te doen aan het slechte imago van het bedrijf. Het bedrijf houdt vast aan de stelling dat van de mijnbouwaktiviteiten een positieve uitstraling op de rest van West-Papua uitgaat. Niet dat dit na 24 jaar aantoonbaar is. Afgelopen jaar probeerde het bedrijf zich bovendien te verweren tegen de beschuldiging dat de mijn enorme schade aan het milieu toebrengt. Het zou daarbij vooral gaan om de vervuiling van de rivier Ajikwa. Er is een Stichting Freeport opgericht die US $5 miljoen kan gaan besteden aan huisvesting en gezondheidszorg. Men zou zelfs van plan zijn Papua's scholing en startkapitaal te geven om hen aan werk en een inkomen te helpen. 'We willen een goede buur zijn', aldus Freeport's vice-voorzitter Louis Clinton. Goede buur In de Indonesische grondwet is vastgelegd dat de grond en het water en de natuurlijke hulpbronnen via het beheer van de overheid bedoeld zijn om het welzijn van het volk te verbeteren. Dit uitgangspunt is zelfs verwerkt in de overeenkomst met Freeport van 1967. Hierbij wordt gesteld dat indien kommercieele exploitatie mogelijk is er rekening gehouden moet worden met de belangen van de plaatselijke bevolking. Het kontrakt verplicht Freeport de bewoners te laten participeren in de ontwikkeling. Freeport heeft inderdaad een programma opgesteld, waarin werd voorzien in bijvoorbeeld de bouw van huizen. Maar er werd geen enkele rekening gehouden met de leefstijl van de bevolking. Het programma maakte eerder onderdeel uit van een 'veiligheidsstrategie'. Hiertegen tekenden de stamhoofden al in een vroeg stadium protest aan. Zij wensten kompensatie in de vorm van scholen met onderwijzend personeel, poliklinieken met verplegend personeel, markten en winkels en dergelijke. Ondanks dat met Freeport in 1974 een akkoord werd gesloten, moesten deze 'verzoeken' in 1988 herhaald worden. Er was toen nog niet veel uitgevoerd. Stichting Freeport biedt echter liefdadigheid waar die niet nodig zou zijn geweest als er indertijd redelijke overeenkomsten waren afgesloten. Ook nu lijkt de 'liefdadigheid' eerder afgestemd op het garanderen van Freeport's eigen belangen in de streek. Hoezo goede buur? Freeport biedt een extreem voorbeeld van de 'ontwikkeling' van oostelijk Indonesia, zoals die Suharto en de zijnen voor ogen staat: kapitaalsintensief en op de export gericht. De (hoge) winsten komen alleen ten goede aan de (Indonesische) bureaukratie en de (buitenlandse) investeerders. De eigen bevolking deelt niet mee in de opbrengst, maar maakt de hoge winsten wel mogelijk door de extreem lage lonen. Hun natuurlijke omgeving, kultuur en leefstijl zijn vernietigd en hebben plaatsgemaakt voor een modern bestaan, waar zij part noch deel aan hebben. Het zijn vreemdelingen in eigen land geworden. Bronnen: Indonesia News Service, No. 289-290, april 1991; Far Eastern Economic Review, 04.07.91; Down To Earth, No. 14, augustus 1991; NRCHandelsblad, 18.09.91; Jakarta Post, 30.09.91.