Indonesische fabrieksarbeidsters, Moderne slaven in verweer door: Francisca Fanggidaej Twee jaar geleden merkte een studente in de rechten op: 'Zij zijn niet meer dan moderne slaven'. Een juriste reageerde aldus: 'Zij zijn de slachtoffers van onrechtvaardige behandeling en zich veelal nietbewust van hun rechten. Bovendien zijn de meesten van hen niet geneigd om met hun klachten naar de betreffende overheidsinstanties te gaan of bij hun werkgevers te protesteren uit angst hun baan te verliezen.' Nu, schrijvend over de toenemende arbeidsonrust, voornamelijk onder fabrieksarbeidsters, gedurende 1990 en het eerste half jaar van 1991, zegt de in Indonesische kringen bekende geestelijke Franz Magnis Seno: 'Het is iets ongewoons in onze maatschappij dat vrouwen zo gewelddadig kunnen optreden, zo onverzoenlijk, dat hun gevoelens over onrechtvaardige behandeling zo hoog kunnen oplopen, dat het zo frustrerend op hun gemoed heeft gewerkt' (Kompas, 01.05.91). Moderne slaven zijn ze nog. Het verschil met vroeger is dat ze in verweer zijn gekomen tegen verkrachting van hun rechten als arbeidsters en burgers. Wat is daar zo ongewoon aan? Deze voorheen op de werkvloer zo timide en meegaande vrouwen weren zich nu als boze, bewuste en strijdvaardige arbeiders. Binnen de beperkingen van hun zeer zwakke positie als arbeider en als vrouw, binden zij de strijd aan tegen een overmacht van bonzen van het buitenlands en Indonesisch kapitaal, hun gewapende en ongewapende handlangers en een overheid die belang heeft bij het ongemoeid laten van de door het grootkapitaal beheerde bedrijven. De rechten - hoe miniem ook - die zij door hun akties bij de bazen bevochten hebben, hebben hun zelfbewustzijn en gevoel van eigenwaarde versterkt. Massale akties en stakingen De feiten liegen er niet om: duizenden fabrieksarbeidsters op verschillende plaatsen in Oost-, Midden- en West-Java hebben in 1990 en het eerste half jaar van 1991 niet alleen hun machines en werktafels verlaten om op de fabrieksterreinen demonstraties te houden, maar zijn zelfs tot door de overheid zeer gevreesde stakingsakties overgegaan. Volgens het weekblad Tempo (08.06.91) neemt de arbeidsonrust schrikbarend toe. In Jakarta alleen al zijn in het vorig jaar 61 arbeidskonflikten geregistreerd, waarbij 31.000 arbeid(st)ers betrokken waren. Tot april van dit jaar vonden 34 stakingen en 6 protestakties naar het parlement plaats. In West-Java hebben vooral de arbeidsters van de kleding- en schoenenfabrieken, waar voornamelijk Zuidkoreaans en Japans kapitaal in gestoken is, uitzonderlijke strijdbaarheid en volharding getoond. In Malang en Surabaya (Oost-Java) waren het vooral de arbeidsters van de sigarettenfabrieken die met grote militantie de eenheden van de mobiele brigade, de politie en brandblusslangen trotseerden tijdens hun stakingsakties in afgelopen april. Mammoetleger van goedkope arbeidskrachten Het merendeel van de fabrieksarbeidsters komt van het platteland, waar de landbouwmechanisatie het werk als rijsthalmsnijdsters en rijststampsters heeft overgenomen en mannen hun plaats hebben ingenomen. Ook de mechanisatie van de produktie van bamboe voorwerpen en de batikindustrie, van oudsher het werk van plattelandsvrouwen, heeft hen van hun inkomstenbronnen verstoten. Het zijn deze vrouwen, vooral de jongeren onder hen, die hun heil zoeken in de grote steden, waar zij de duizenden multinationale en nationale fabrieken en konglomeraten met hun goedkope arbeidskracht voeden en groot maken. Veelal zijn het vrouwen die een zeer weinig scholing hebben gehad of analfabeet zijn. De statistieken van 1985 tonen aan dat van de 25 miljoen analfabeten 15.7 miljoen (tweederde) vrouwen zijn, terwijl eenderde van die groep van vrouwen die ekonomisch aktief zijn nooit naar school zijn gegaan. Zij vormen het mammoetleger van goedkope arbeidskrachten, die een harde strijd moeten voeren om te kunnen overleven. Het zijn vooral de arbeidsintensieve bedrijven, zoals de textiel- en kledingfabrieken, elektronika, de farmaceutische industrie, de sigaretten-, voedsel- en drankindustrieen, die voorkeur geven aan deze kategorie vrouwen. Niet alleen omdat zij goedkope arbeidskrachten zijn en een zekere mate van akkuratesse en efficientie bezitten, maar vooral vanwege de totale afwezigheid van een positie, hoe zwak ook, waaruit zij kunnen onderhandelen, protesteren of onderhandelen met hun werkgevers. Mes snijdt aan twee kanten Zodoende snijdt het mes aan twee kanten: aan van de zijde van de bedrijven en aan de zijde van de overheid. Beiden hebben er belang bij de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden. De bedrijven vanwege de zucht naar winst, de overheid vanwege de behoefte aan buitenlandse valuta. De industrie-arbeid(st)ers moeten helpen de ekonomie van het land te redden uit de impasse na de olie-boom van de jaren zeventig. De export van andere produkten dan olie of gas heeft zestig procent bijgedragen aan het totaal van verdiensten aan buitenlandse valuta van de Indonesische overheid (Media Indonesia, 02.04.91). Het overgrote deel daarvan komt van de textiel-, kleding- en schoenindustrie, waar 75 tot 80% van de werkkracht uit vrouwen bestaat (Tempo, 08.06.91). De textiel en de kleding zijn na triplex de primadonna's van de industrie buiten de olie- en gassektor. Gedurende de periode 1980-1986 was het aandeel van de kledingindustrie ongeveer 55 tot 80% van het totaal van de exportwaarde van textiel: in 1980 US $136 miljoen, in 1983 US $400 miljoen, in 1984 US $620 miljoen (Media Indonesia, 02.04.91) Bestaansminimum en minimumloon Hoe worden Indonesische arbeiders, met name de fabrieksarbeidsters, gehonoreerd voor de rijkdommen die zij geschapen hebben? Het minimumloon, vastgesteld door de plaatselijke overheden van bijvoorbeeld Jakarta, Bogor, Tangerang en Bekasi (Jabotatek), is Rp 2100 per dag. Zelfs de regering geeft toe dat dit ver onder de minimale levensbehoeften ligt. Volgens de minister van arbeid bedraagt het gemiddelde minimumloon landelijk gezien slechts 63% van de het bestaansminimum (KFM, Kebutuhan Fisik Minimum) (Tempo, 29.06.91). Bovendien is het in de praktijk zo dat voor een arbeidster dit minimumloon krijgt, zij enkele jaren gewerkt moet hebben, vaak voor minder dan de helft van het minimumloon. Saut Aritonang, sekretaris-generaal van de vrije vakbond Setiakawan, is van mening dat op basis van hun produktiviteit van gemiddeld tien stuks kleding per dag per arbeider met een verkoopwaarde van Rp 400.000, de arbeidsters van de kledingfabriek PT Great River Industries (GRI) recht hebben op minstens Rp 6000 dagloon. Arbeid(st)ers in Thailand, Maleisia en Japan verdienen respektievelijk drie-, twee- en twintigmaal zoveel als hun kollega's in Indonesia, aldus de voorzitter van de koordinatieraad van kapitaalsinvesteringen BKPM (Tempo, 08.06.91). In hoogseizoenen, wanneer de fabrieken hun produktievolume verhogen, is er een buitengewoon grote vraag naar vrouwelijke arbeiders. Nadat echter de fabrieken hun produktiestreefcijfers hebben gehaald, zijn het deze vrouwen die ook de eersten zijn die zonder enige plichtpleging van de ene op de andere dag aan de dijk worden gezet. De onderzoeksresultaten van de ILO/UNDP-kommissie in Indonesia in 1988-89 tonen aan dat veel arbeidsters in de kledingindustrie buiten de gangbare werktijden werken. Zij werken gemiddeld 12 tot 14 uur per dag van 7 uur 's ochtends tot 9 uur 's avonds. Slechts vier of vijf dagen in de maand werken zij tot 5 of 6 uur. Een of twee keer in de maand kunnen zij op het officieele sluitingsuur (drie uur 's middags) naar huis (Media Indonesia, 02.04.91). Vrouwen in solidariteit Het is tegen deze sociaal-ekonomische achtergrond dat op 29 april j.l. vier organisaties in Jakarta hun solidariteit betuigden met de fabrieksarbeidsters. Een kollektieve verklaring van eisen tot verbetering van de werk- en leefkondities van arbeidsters in Indonesia werd in een grote demonstratie van honderden vrouwen en mannen aan de minister van arbeid gepresenteerd. De vier organisaties zijn: Saluran Informasi Sosial dan Bimbingan Hukum (Sis-Bikum) (Distributie Maatschappelijke Informatie en Rechtsbegeleiding), Seruan Aksi Solidaritas (SAS) (Oproep Solidariteitsakties), Komite Pendidikan Anak-anak Kreatif Indonesia (Kompak) (Komitee Indonesia Scholing Kreatieve Kinderen) en Aksi Perempuan Indonesia untuk Keadilan (API) (Indonesische Vrouwen Aktie voor Gerechtigheid). In de kollektieve verklaring werd van de regering geeist dat de bestaande arbeidswetgeving in praktijk wordt gebracht, met name op het gebied van lonen, werkuren, ontslagen, overwerk, welzijnsvoorzieningen, veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, het recht van organisatie. Het is een aanklacht tegen de werkgevers en vraagt de regering dan ook de werkgevers te dwingen zich aan de bepalingen te houden, eventueel met toepassing van sankties. De kollektieve verklaring bleek een soort gemeenschappelijk strijdmotto, waaromheen de arbeidsters zich verzamelen om hun ontevredenheid te uiten en hun eigen eisen kracht bij te zetten. Zo waren juni en juli het toneel van stakingsakties, waaraan driehonderd tot tweeduizend vrouwen hebben deelgenomen. Een leidende rol hierin hebben de tweeduizend textielarbeidsters van de achtduizend sterke werkkracht PT GRI gespeeld, die 17 en 18 juni staakten voor een verhoging van het minimumloon. De maand juli zag een verdere toename van arbeidsonrust onder de arbeiders, met name de vrouwen van een pannenfabriek, een farmaceutische fabriek en van garen- en kledingfabrieken, die uiteindelijk leidde tot stakingsakties rond eisen over de lonen, het overwerk en andere voorzieningen. Suksessen De overwinningen die de industrie-arbeidsters met hun akties hebben behaald in Malang en Surabaya in Oost-Java en het industrie-komplex in Jakarta, Bogor, Tangerang en Bekasi in West-Java, omvatten onder meer de eis voor uitbetaling van de wettelijk vastgestelde jaarlijkse nieuwjaarstoeslag (de 'tunjangan lebaran') en eisen die specifiek van belang zijn voor de vrouwelijke arbeiders. Zo werden na drie dagen van aktie en onderhandelingen zeventien van de twee- en twintig eisen ingewilligd van de textielarbeidsters in de kledingfabriek PT Great River in Bogor (West-Java). Maar de belangrijkste eisen betreffende loonsverhoging, verhoging van het eetgeld, vergoeding van reiskosten en gezondheidszorg nog niet zijn ingewilligd. Ofschoon deze overwinningen naar Europese vakbondsbegrippen misschien niet spektakulair genoemd kunnen worden, vormen zij voor de aktievoersters een beslissende bijdrage tot hun bewustwording, tot het besef dat zij een kracht zijn in het produktieproces waar rekening meegehouden moet worden en dat ook zij rechten hebben als arbeid(st)ers en burgers. Aandacht van de pers De arbeidsonrust, vooral onder de industrie-arbeidsters, heeft enorm veel aandacht getrokken en tevens tot begrip geleid bij de tot nu toe apathische publieke opinie waar het de positie van vrouwelijke arbeiders betreft. Het weekblad Tempo (08.06.91) deed indringend verslag van de arbeidsomstandigheden en toenemende arbeidsonrust. 'De jaarlijks groeiende aanwas van miljoenen Indonesische jongeren op de arbeidsmarkt, waarvoor geen plek is in het arbeidsproces, plaatst hen in een zeer zwakke positie ten aanzien van de werkgevers'. Het is deze veel sterkere positie van de ondernemers, aldus Tempo, die de bron is van alle ellende: lonen beneden het minimum, slechte werkomstandigheden en gebrekkige faciliteiten, obstakels voor het tot standkomen van een vakbondsorganisatie enzovoorts. Nog erger is dat deze misstanden door de media verzwegen worden. Slechts zo nu en dan worden we opgeschrikt door dramatische onthullingen, zoals over arbeid(st)ers die door hun werkgever worden opgesloten of over kinderen die gedwongen worden tot arbeid ver boven hun kunnen. Tempo verwees naar de opkomst van verschillende NGOs die speciaal voor de belangen van de arbeiders opkomen en, aldus het blad, onze bijzondere aandacht verdienen. Deze organisaties dragen bij tot de bewustwording van de arbeid(st)ers. Zelfs de voorzitter van het hoofdbestuur van Golkar, Wahono, erkent en betreurt 'het feit dat de arbeiders die al hun krachten aan de bedrijven geven voor het overgrote deel daarvoor onvoldoende beloning krijgen. Hun lonen zijn laag, maar hun arbeidsuren onbeperkt. En ook de faciliteiten voor sociale zekerheden zijn miniem. De lage lonen zijn net voldoende om in leven te kunnen blijven, maar niet om het onderwijs van de kinderen te bekostigen, laat staan wat opzij te leggen voor de toekomst' (Suara Karya, 12.07.91). Tot nu toe heeft alleen de overheid via haar koordinerend minister voor politiek en veiligheid, admiraal Sudomo, een negatieve en dreigende houding laten zien tegenover de stakingen. 'Ik zal het hele apparaat in beweging brengen om de werkelijke aanstokers van de stakingsakties in de kledingfabrieken op te sporen en voor het gerecht te brengen'(Pelita, 03.07.91). Waarop wij alleen op zijn Indonesisch kunnen zeggen: de honden blaffen, maar de karavaan trekt verder. ------ Een van de zeshonderd arbeidsters (van de kledingfabriek PT Citra Dinasti, Depok, West-Java) zegt: 'De vrucht van ons werk hier wordt naar het buitenland geexporteerd tegen zeer hoge prijzen. Kijk, wat al gereed is om vervoerd te worden. Maar wij hier worden als melkkoeien behandeld. Ons loon is Rp 1300 per dag en Rp 400 eetgeld. De target is 120 a 130 jackets per dag. Wat niet wordt afgemaakt, wordt als schuld beschouwd'. ------ Lastri (22 jaar, arbeidster textielfabriek, Zuid-Jakarta): 'De tweeduizend arbeidsters mogen niet buiten de asrama (een soort woonkazerne op het fabrieksterrein) wonen. Om zeven uur 's avonds mag niemand meer de asrama uit, met uitzondering van de zaterdag, wanneer de avondklok om tien uur ingaat. De enige deur van het gebouw wordt op slot gedaan'. ------ Cicih (arbeidster PT Great River Garment Industry, woordvoerster in onderhandelingen met werkgevers tijdens stakingsakties): 'De fabriek stelt alleen twee wc-tickets beschikbaar voor zestig mensen. Wanneer wij nodig moeten, zijn wij gedwongen geduldig onze beurt af te wachten als de tickets in gebruik zijn. Terwijl wij het soms niet meer kunnen inhouden'. ------ Sukesih (machine-bedienster op een garenfabriek in Bogor, West-Java) heeft zich op een dag wegens oververmoeidheid verslapen. Ze bleef een dag weg. Ze moest voor straf van elf uur 's avonds tot zeven uur 'sochtends de vloer vegen. Vervolgens moest ze zeven uur lang tegen de muur staan, zogenaamd om zich over haar fouten te bezinnen, terwijl ze geen eten kreeg en niet mocht praten. De straf duurde een maand lang. ------ Sulin (26 jaar, arbeidster kledingfabriek in Tangerang, West-Java) verdient een dagloon van Rp 1600 en Rp 350 eetgeld. Ze wordt vaak tot overwerk gedwongen, wanneer ze in de dagploeg tot half twee 's middags werkt. Het overwerk duurt soms tot vijf uur 's nachts; ze krijgt dan Rp 350 per uur betaald. Ze moet echter om zeven uur 's ochtends weer beginnen! Als ze weigert, wordt haar loon gekort. De fabrieksleiding eist soms van de arbeidsters dat ze ook op zondagen en nationale feestdagen werken. Sulin is weduwe en heeft een kind. Ze staat om vier uur 's ochtends op, kookt het eten, pompt het water, wast de kleren en helpt het kind zich klaar te maken voor school. Om zes uur gaat ze te voet naar de fabriek. Wanneer ze overwerk heeft, kan ze pas om negen uur naar huis. Doodmoe eet ze dan de koude rijst die ze zestien uur eerder heeft bereid. Gelukkig heeft ze goede buren die zich over het kind ontfermen.