De jonge generatie verliest gevoel van bezitter van de Indonesische republiek te zijn.
Harian Kami, 5.1.1974
De jonge generatie heeft niet meer het gevoel een
eigen Indonesische republiek te bezitten, omdat de ruimte die de regering
voor hen heeft geschapen om deel te nemen aan de opbouw slechts een mechanische
participatie inhoudt en daarbij wordt de gemeenschap slechts beschouwd
als units voor de burgerlijke verdediging, als veiligheidswacht. Dit verklaarde
Ridwan Saidi, een leider van de Islamietische Studentenbond, HMI in een
panel-discussie over de huidige politieke en economische situatie, georganiseerd
door de faculteit sociale wetenschappen van de universiteit van Indonesie.
Om het enthousiasme voor de opbouw te stimuleren is hervorming van de politieke
structuren noodzakelijk. Dit betekent dat het huidige systeem van leiderschap
van de maatschappij, zoals die tot dusver door de regering wordt gehanteerd
herzien moet worden.
Farkan Bulkin die eenzelfde mening er op na houdt
is van mening, dat de autoriteiten bereid moeten zijn om nieuwe politieke
centra te scheppen. De instellingen van de politieke infrastructuur, zoals
de DPR (het parlement) zijn slechts organen die eigendom zijn van de regering
dan media die de stem van het volk moeten doen horen.
Een laatste jaarsstudent van de faculteit sociale
wetenschappen, Darwin Nasution bekijkt de problemen meer van een economische
hoek. Hij zei dat een toename van het BNP met 6 tot 7% geenszins een maatstaf
van vooruitgang, als de "nationale koek" niet evenredig wordt gedeeld.
De ervaring wijst uit dat er alleen een kloof ontstaan is tussen rijk en
arm, werkloosheid en zovoorts. Darwin is tenslotte van mening dat het staatshoofd
een voorbeeld moet geven van sober leven.
Comite Nationale Eer ageert tegen Chinese financiers.
Suara Karya, 7.1.1974.
Een delegatie van 8 personen, geleid door Julius
Usman van het Comite Nationale Eer overhandigde een open brief aan de Procureur-generaal,
waarin de handelingen van de tjukongs uit de doeken worden gedaan.
De Procureur-Generaal Ali Said heeft de delegatie een uur lang tewoord
gestaan.
Het comite verklaarde het volkomen oneens te zijn
met de huidige gang van zaken die Indonesie naar de afgrond brengt. De
delegatie overhandigde ook een lijst van namen van tjukongs, van
wie geeist werd dat de immigratiedienst hun geen uitreisvergunning verschaft
al vorens hun handelingen zijn ondezocht. Van de Procureur-Generaal werd
geeist dat onmiddellijk de handelingen van Budiaro Halim alias Liem Boen
Hwa, directeur van Sandratex worden nagegaan. (Noot: In Indonesia Raya
van 14.1l.l972 werd over de man beweerd dat hij veel faciliteiten verkreeg
van de minister van financien voor de import van textiel.) Wanneer binnen
3 maal 24 uur zulks niet gebeurde zou het comite andere stappen ondernemen.
Ali Murtopo op de korrel genomen.
Indonesia Raya, 15.1.l974.
Persoonlijk-assistent van de president, generaal-majoor
Ali-Murtopo, functie assistent voor bijzondere aangelegenheden, in vol
ornaat gekleed, compleet met een groene baret op werd bij aankomst in de
campus van de Sunan Kalidjogo, Islamitische Staat-instituut (IAIN)
in Djokjakarta met posters begroet. Sommige posters luidden: "Bepaal duidelijk
de status en de functies van des Presidenten Persoonlijke Assistenten",
"De staat is geen privaateigendom, Technocraten (Noot: bedoeld. wordt de
"Berkeley-maffia" waarop minister Pronk zijn hoop gevestigd heeft.) waarom
is het volk nog steeds even arm?", "Waar is mijn olie, mijn vis?", "Beeindig
de geheime regering", etc.
Op de critieken antwoordde de generaal, dat het
het prerogatief recht van de president is om persoonlijke assistenten aan
te stellen.
Dezelfde avond werd een fakkeloptocht gehouden,
die voor het standbeeld van generaal Sudirman (Noot: De belangrijkste generaal
in de gewapende strijd tegen Nederland in de jaren 1945) stil hield en
waar de jeugd, verenigd in de "Djokja Generatie van Jongeren" zwoeren om
een eind te maken aan de onbevredigende situatie waarin maatschappij en
staat verkeren.
Qui s'excuse s'accuse: Suharto ontkent betrekkingen met tjukongs.
Berita Buana, 22.1.1974.
President Suharto legt voor het dagelijks bestuur
van de Indonesische Journalistenbond een verklaring af waarin hij uitdrukkelijk
berichten ontkent als zou zijn hele familie, met inbegrip van zijn vrouw
Tien Suharto betrekkingen onderhouden met de volgende NV's: Astra,
Bogasari,
Sahid en Batik Keris.
De journalisten die door de president opgeroepen zijn om de verklaring
aan te horen zijn: B.M. Diah, Rosihan Anwar, Sunardi D.M., Harmoko en Jacob
Utama. De directeuren-eigenaren van de vier genoemde NV's bevestigen dat
in de notariele acte van oprichting van hun bedrijven geen naam voorkomt
van de Suharto-familie. Generaal Ali Said, de procureur-generaal was aanwezig
om de presidentiele verklaring teversterken.
Noot: In het afgelopen jaar werd in Solo
de eigenaar van Batik-Keris gearresteerd gp grond van een ex-lidmaatschap
van de verboden organisatie Baperki. De arrestant, genaamd Kwee Som Tjiok
alias Tjokrosaputro was van mening dat de reden van zijn arrestatie heel
iets anders moest zijn, omdat hij voor dat gewezen lidmaatschap reeds gezuiverd
was. Uit de kranten berichten kreeg men de indruk dat de reden voor de
arrestatie tweeerlei was: hij pochte nogal over zijn goede connecties met
mevrouw Tien Suharto, hetgeen bij de militair commandant kwaad bloed zette.
De tweede mogelijke reden was, dat Batik Keris die als niet-autochtoon
bedrijf word beschouwd de kleinere batikbdrijven het bestaan bemoeilijkt.
Toen op 11 Januari 1974 president Suharto vertegenwoordigers
van 34 studentenraden te woord stond, werd de presidentiele secretares
Sudharmono na afloop door de pers zwaar onder voor gezet. Een van de vragen
van de journalisten luidde: "Heeft een van de studenten een verklaring
afgelegd over Bogasari?" Antwoord Dharmono: "Hoe komt U eraan?".
(Sinar Harapan, 11.1.1974) De machtigste man van Bogasari is Liem
Swie Liong, bijgenaamd de Goudkoning die nog andere talrijke en belangrijke
bedrijven en banken bezit, o.a. Bank Windu Kentjana, Bank Central Asia,
Waringin Kentjana, Blue Ocean Nightclub, etc. Onder de voormalige minister
van handel, Prof. Sumitro verkreeg Waringin Kentjana, waarvan een broer
van Suharto directeur is, het monopolie voor de import van kruidnagelen.
Dit was in die tijd reeds publiek geheim in Djakarta.
Wat betreft Astra kan volstaan worden met
de imformatie dat dit bedrijf de Japanse Toyota-automobiel assembleert,
en tijdens de demonstraties van medio Januari 1974 het belangrijkste doelwit
was van de betoging. Directeur-eigenaar van Astra is o.a. Tjia Kian-Liong
alias William Suryadjaja. Zoals gezegd waren alle vier eigenaren van de
geincrimieerde bedrijven aanwezig om Suharto's ontkening te bevestigen.
Het opmerkelijke is dat de pers alleen de Indonesische namen van de hier
genoemde tjukongs geeft: Willem Surjawidjaja, Sukamdani, Dwikatmono
en Tjokrosaputro. Voor een vollediger lijst van namen van de tjukongs zij
verwezen naar Indonesia-Raya, 14.l1.1972.
De racistische politiek van het generaalsregime.
Merdeka, 31.1.1974.
De minister van financien Ali Mardhana antwoordde op een vraag van het parlementslid drs. Rachmad Mulyomiseno (Noot: Ttv. Sukarno minister van eeonomische zaken, die verantwoordelijk was voor de beruchte, anti-Chinese maatregel PP 10/l959 waarbij Chinezen verboden werden om in het binnenland handel te drijven.), dat de regering ernaar streeft om de "integratie van indonesiers van vreemde afkomst te bewerkstelligen langs het proces van assimilatie."(sic) De regering acht het nodig dat deze Indonesiers hun namen veranderen (in een Indonesisch klinkende naam), aangezien zulks van grote invloed kan zijn op het dagelijks sociaal-economische en cultureel verkeer. T.a.v. Muljomiseno's voorstel om aan niet-autochtone indonesiers te verbieden dienst te nemen bij de strijd krachten, wijst de minister er op dat de Grondwet 1945, lid 1 art.30, hfdst. XII iedere staats-burger het recht en de plicht geeft om het land te verdedigen.
Vrouwensmokkel naar buitenland.
Merdeka, 13.2.1974.
Een betrouwbaar onderzoek heeft uitgewezen dat uit
indonesie vrouwen per estafette naar het buitenland, i.c. Singapore worden
gesmokkeld. Van de desa's worden de meisjes en vrouwen eerst naar de stad
overgevracht, o.a. naar de hoofdstad Djakarta. Van hieruit worden ze verder
getransporteerd naar de eilanden rondom Singapore. En van daaruit weer
uiteindelijk naar de plaats van bestemming, Singapore zelf.
De vrouwelijke handelswaar die als prostituee wordt
gebruikt noteert de volgende marktprijzen: maagden brengen Rp.525.000 (=ong.
3000Singapore-dollars) op en reeds getrouwden Rp.350.000 (=ong. 2000 Singapore-dollars)
Geen Chinese ambtenaren bij Immigratie-dienst Bandung.
Berita Yudha, l4.2.1974.
Het hoofd public-relations van het directoraat-generaal van de Immigratie-dienst
ontkent de juistheid van een rapport, dat door Commissie I van het parlement
is opgesteld en waarin de regering vezocht wordt aandacht te schenken aan
het feit dat het Immigratie-kantoor Bandung overvuld is met ambtenaren
van Chinese afkomst. Zijn ontkenning wordt versterkt door een verklaring
van het hoofd personele zaken van betreffende regerings-dienst.
NRC Handelsblad. 8 maart '74.
VISIOENEN BEDREIGEN OUD HANDSCHRIFT
Door een onzer redacteuren
AMSTERDAM, 8 maart - In wetenschappelljke kringen
in Djakarta en Nederland maakt men zich zorgen over het lot van een veertiende-eeuws
handschrift dat in 1972 tijdens het staatsbezoek van president en mevrouw
Soeharto van Indonesië door de koningin aan mevrouw Soeharto ten geschenke
werd gegeven. Beter gezegd: werd teruggegeven, want de schenking moet worden
gezien als een gebaar, waarmee werd duidelijk gemaakt, dat Nederland bereid
was om zich hier bevindende indonesische cultuur-schatten naar hun land
van herkomst terug te laten gaan.
De bedoeling van dergelijke schenkingen tussen staatshoofden
is uiteraard, dat de cadeaus, al naar hun aard, in musea, universiteiten,
bibliotheken e.d. terechtkomen. Het bedoelde handschrift echter, zo is
in Djakarta publiek geheim, bevindt zich in het huis van het echtpaar Suharto,
waar vooral mevrouw het als een relikwie uit de lndonesische historie bewierookt.
Het gevolg zou al zijn, dat het handschrift in uitermate
slechte staat is. Het betreft het oud-Javaanse handschrift "Nagara-kertagama",
de enige geschreven geschiedbron over het beroemde Javanse koninkrijk Madjapahit.
Het dateert van 1383 en werd op uiterst tere palm-bladeren (lontar) geschreven
door de dichter Mpoe Prapantja. In het geschrift worden o.m. allerlei koningsgeslachten
beschreven en de dichter heeft het ook over symbolen, dle nu nog in het
nieuwe Indonesië worden gebruikt.
Ongeveer een jaar geleden kwam men in Nederland
te weten dat mevrouw Soeharto meent af te stammen van een der in het geschrift
genoemde prinsessen; dat zou haar in visioenen zijn geopenbaard. Op grond
daarvan werd het geschrift niet aan bijvoorbeeld een museum afgestaan,
waar het dan, zoals noodzakelijk en gebruikelijk, bij zeer bepaalde temperaturen
en vochtigheidsgraad bewaard zou worden. In plaats daarvan werd het het
middelpunt van een persoonlijke cultus van mevrouw Soeharto. Zij kocht
ten behoeve daarvan ook "poesaka's", heilige voorwerpen in het Sultanaat
Djokja. Dat zou weer allerlei weerstanden hebben gewekt bij de sultan van
Djokja, omdat het ook hier om historische voorwerpen gaat.
De wetenschappers, met wie wij over deze zaak spraken,
maken zich in het bijzonder ongerust, omdat minister Van der Stoel na zijn
bezoek aan Indonesië een verklaring aflegde, waarbij het in punt twee
ging over het voorgenomen teruggeven aan Indonesië van cultuur-schatten,
die hier bijvoorbeeld in het Instituut voor de Tropen en in Leiden nog
in grote hoeveelheden zijn. Men is het in principe met die teruggave eens,
maar men vraagt zich af of het onder de huidige omstandigheden (lees het
huidige bewind) verstandig is om dat nu al te doen. ln deze gesprekken
valt zelfs het woord "cultuurmisdaad".
In Leiden zei men ons, dat er van het handschrift
"Nagarakertama" niet van echt te onderscheiden fotocopieën zijn en
dat de studie ervan dus kan doorgaan. Er zijn echter o.m. nog honderden
palmblad-handschriften, die nog niet zijn uitgegeven en/of gefotografeerd.
Brief van 41 Pastoors te Djogja
Sinar Harapan 17 Januari 1974
Uit een brief van 41 pastoors uit het speciale district Jogjakarta gedateerd
6 januari 1974 blijkt dat ook van kerkelijke zijde een groeiende ongerustheid
en ontevredenbeid over het huidige bewind aanwezig is. Deze geestelijken
constateren o.a. dat:
"de kleine man in vrees leeft voor de overheid, vooral voor de gewapende
macht; - dat het volk bang is om de eigen mening, hoewel die mening juist
is en opbouwend, te uiten, want zij voelen zich bedreigd omdat zij misschien
als communist zullen worden. gedoodverfd, zullen worden ontslagen, hun
veiligheid niet meer gewaarborgd is, zij mishandeld zullen worden., hun
inkomsten zullen kwijtraken e.d".
Verder merken zij op dat: "de huidige economische situatie geen mogelijkheid
geeft aan de kleine man om een uitweg uit zijn moeilijkheden te zoeken."
en dat "de opbouw voor het grootste deel blijkt niet voor en van het volk
te zijn, maar integendeel prioriteit wordt gegeven aan de projekten die
door enkele figuren gebruikt wordt om er profijt uit te trekken in eigen
belang".