Regering SOEHARTO bedreigd

Onder de druk van massale studentendemonstraties – volgens sommige waarnemers door de CIA op touw gezet – viel in de herfst van 1973 het militair bewind in Thailand en werd vervangen door een burgerlijke regering onder leiding van premier Sanya Dharmasakti.

Of de studentenacties in Indonesïë die daarna volgden hetzelfde doel beoogden valt niet met zekerheid te zeggen. Wat waren de feiten?

VOLKS VERZET

Afgezien van de guerilla in Kalimanten en een poging van de PKI in 1968 om een basis te vestigen in Oost-Sava (zuidelijke van Blitar), alsmede diverse sabotagedaden (o.a. tegen spoorwegen) is er in de pers de laatste jaren geen melding gemaakt van belangrijke, georganiseerde verzetsacties. Wel werd en wordt er telkens gewag gemaakt van ontevredenheid onder diverse lagen van de bevolking. In Oost-Java verzetten de boeren zich tegen verplichte rijstleveranties aan de BUUD (Badan Usaha Unit Desa) (Gemeenschappelijk Productieorgaan van Dorpseenheden), die streng gecontroleerd worden door corrupte legerofficieren. In de eerste maanden van 1972 openbaarde zich voor het eerst een georganiseerd stedelijk verzet tegen het bewind van generaal Suharto. Al in 1965/66 gingen studenten de straat op om te demonstreren tegen de regering. In 1972 was het doel van de demonstratie echter beperkt tot een protest tegen een bepaalde regerings-daad: het miljoenen verslindende pretparkproject van mevrouw Tien Suharto, alhoewel duidelijk een ondertoon beluisterd kon worden van grote ontevredenheid over de sociaal-economische ontwikkelingspolitiek in het algemeen. Ook de plaats van handeling bleef beperkt tot Djakarta. In de loop van 1973, vooral in de tweede helft van dat jaar groeide de agitatie onder de studenten, de jeugd, de intellectuelen en de fietstaxi-bestuurders tot voor de regering gevaarlijke hoogten. Overal in het land was de stemming onder de studenten en intellectuelen bepaald vijandig tegenover de regering. Er is reden genoeg om ontevreden te zijn over de situatie: de prijzen van de belangrijke consumptiegoederen stijgen, deels door de inflatie in het buitenland maar vooral ook door het falen van de economische politiek, de corruptie tiert welig van hoog tot laag, de werkloosheid is enorm groot, ook bij de intellectuelen. Om een indruk te geven van de omvang van de werkloosheid volgen hier twee kleine voorbeelden.



MASSALE WERKELOOSHEID

Suara Karya , het blad van de Golkarpartij, publiceerde 26.11.1973 een Antara-bericht waaruit bleek dat volgens het directoraat-generaal van de transmigratiedienst in Djokja ongeveer de helft van de bevolking werkloos is.
Op een bevolking van 2.488.089 zielen en met een bevolkingsdichtheid van 781 zielen per km2 is ongeveer l,l miljoen zonder werk. De rijst-produktie in dit gebied kan slechts voor 56% in de behoefte voorzien, de maisproductie voor 38% en de sojabonenproductie als belangrijkste proteinebron van de bevolking voor 50%. In Sinar Harapan van 8.2.1974 kan men lezen dat in de stad Semarang 417 academici als werkloos staan geregistreerd. Onder hen bevinden zich landbouwkundigen, chemici, hoger administratieve krachten, e.a.

WIJDE KLOOF

Een heel kleine top leidt een weelderig leven en geniet van de buitenlandse investeringen en credieten. De door de technocraten en regering beloofde arbeidsverruiming die geschapen zou worden door het aantrekken van buitenlands kapitaal is uitgebleven, juist het tegendeel vond plaats aangezien de nieuwe bedrijven kapitaal-intensief werken. Tussen de top van rijke lieden en de massa gaapt een gevaarlijk wijde kloof.
In Bandung kwam het in augustus 1973 tot een tegen Chinezen en regering gerichte actie. De rellen die daar toen plaatsvonden veroorzaakten een materiele schade die in de miljarden liep. Het hleef niet bij dit sociaal prot est in de stad Bandung, dat naar het officieel heette door langharige jeugdige elementen zou zijn opgeroepen. Ook in andere steden begonnen de studenten en de jongeren zich te roeren, o.a. in Djokja, Surabaja, Padang, Udang Pandan (Makassar)

IGGI als CUKONG

De anti-regeringstendenzen in de samenleving kregen een nieuwe dimensie door de lancering van uiterst kritische berichten en beschouwingen in de pers over de gang van zaken met betrekking tot de leningen die verkregen werden van het Internationaal Monetaire Fonds, de Wereldbank en de IGGI (Intergouvernementele Groep inzake Indonesië waarvan de Kederlandse minister voor ontwikkelingssamenwerking traditioneel voorzitter is). De buitenlandse investeringen en leningen, in het bijzonder de Japanse, werden als neo-koloniale uitbuiting gediskwalificeerd. Het weekblad Tempo publiceerde 27.11.1973 een beschouwing onder de veelzeggende titel "IGGI als tjukong " (=hatelijke benaming voor de Chinese financier, en de generaal-die-zaken-doet.). Dit is een bewijs dat minister Pronk, die van 11-22 november 1973 Indonesië bezocht en ondermeer discussies voerde met kritische studenten in Djakarta, Bandung en Djokja, deze niet had overtuigd van de goede bedoelingen van de IGGI t.o.v. Indonesië. Bij zijn aankomst op het vliegveld van Djakarta werd een groot spandoek voor zijn ogen ontrold met als opschrift: Indonesie voor Indonesïë.
Ook de posters die meegevoerd werden waren niet mis te verstaan: In Memoriam: Inheems Kapitaal" en "Ach, wat spijtig, mijn hart is uitgerukt, mijn olie weggepompt". In Bendung luidde een poster: BNP gestegen, de broeken van het volk zakken af". Eén poster zou het bewijs kunnen leveren dat de studentengeneratie 1973/74 inziet dat de onderdrukking van het generaalsbewind met de hulp van de IIGI plaatsvindt: "Het buitenlands kapitaal ondersteunt het binnenlands kolonialisme Modal Asing Membantu Kolonialisme Intern". Gezien de toezegging die minister Pronk deed op de IIGI-conferentie van 11/12 december 1973 in Amsterdam om Indonesië een hulpbijdrage van 166 miljoen gulden in het vooruitzicht te stellen - dit is 10% meer dan de 151 miljoen gulden die in 1975/74 beschikbaar was voor Indonesie - kan moeilijk aangenomen worden dat deze socialistische minister van Nederland de laatste poster zou hebben onderschreven, als hij die gelezen had.

studenten & jongeren protest

De studentenkritiek werd gedeeld door universitaire leiders en bepaalde politieke leiders, naar door diverse regeringsinstanties wordt beweerd vooral ex-Masjumi, ex-PSI-politici (de Islamitische Masjumi en socialistische PSI werden in 1958 door wijlen president Sukarno tot verboden partij verklaard), maar ook links-georienteerde nationalisten van de zg. PNI Asu (de groep binnen de PNI geleid door Ali Sastroamidjojo-Surachman) en de traditionele zonde-bokken: de communisten. Drs. Dorodjatun Kuntjorojakti, een lector aan de economische faculteit van de Universiteit van Indonesië verklaarde in een panel-discussie, waarvan de bekende journalist Mochtar Lubis de moderator was, dat de binnenlandse industrie een kwijnend bestaan leidde als gevolg van het binnenstromen van buitenlands kapitaal. "Hoe meer dit binnengehaald wordt, hoe meer faciliteiten het eist en hoe meer rechten de buitenlandse kapitalisten eisen en verkrijgen excessieve rechten zelfs", luidde een van z ijn conclusies (Kompas 1.12.1973). De studenten en de jeugd organiseerden zich in allerlei soorten actiegroepen en comité 's. Protest tegen wanbeleid, de corruptie, het regerings-beleid in het algemeen dat rijken en buitenlanders bevoordeelt stond duidelijk af te lezen uit de namen die de groepen zichzelf gaven. "(Buitenlandse) schulden-betalende generatie", "Oppositie van de jonge generatie", "Anti-luxe comité", "Comité Nationale Trots", etc. De ex-vice-president Dr. Moh. Hatta werd naar zijn mening gevraag over het thema "nationale trots en nationaal zelfbewustzijn" en gaf als antwoord, dat het waar is dat vele regeringsfunctionarissen zich niet bekreunen om nationale waardigheid.
(Nusantara, 29.12.1975) Doorlopend vonden er sinds oktober 1973 acties en demonstraties plaats, b.v. een actie "Zwarte December".
Niet alleen intellectuelen, journalisten en politici begroetten de studenten- en jeugd-acties op positieve wijze. Begin januari 1974 verklaarden ook arbeidersorganisaties zich solidair met de studenten (Zie de betreffende berichten elders in dit nummer). De agitatie onder de jongeren ontlaadde zich tenslotte in een massale verzetsactie op 14, 15 en 16 januari 1974, op het moment dat de Japanse premier Tanaka Djakarta bezocht. (Over de gebeurtenissen zelf in die dagen zij verwezen naar de desbetreffende persberichten in dit nummer).
 

chronologisch verloop

Wij laten hieronder nog een korte chronologie volgen van de studenten en jeugdbeweging gedurende de laatste maanden van 1973 en in de maand januari 1974. Deze beweging bepaalde het politieke beeld van lndonesië in die periode.

Op 24 oktober 1974 kwam een discussiegroep van studenten van de Universiteit van Indonesië bijelkaar, waarbij ook aanwezig waren bekende figuren van buiten de studenten-kringen, zoals B. M. Diah, journalist en ex-diplomaat die ten tijde van Sukarno ambassadeursposten had bekleed, en Bung Tomo, de man die een belangrijke rol speelde in Oost-Java tijdens de revolutionaire jaren 1945/46. Uit deze discussie werd een soort politiek program van de studentenbeweging geboren, genaamd de "Petitie 24 oktober". Men eiste een rechtvaardiger ontwikkelingspolitiek, verklaarde zich tegen de verspilling van het nationaal inkomen , en eiste ook dat de jonge generatie medeverantwoordelijkheid draagt voor de toekomst. Een interessant punt tijdens de discussie was een vraag die B.M. Diah aan de studenten stelde: "Jullie wensen veranderingen, maar durven jullie die door te drukken, durven jullie een sociale revolutie te ontketenen?.

10 NOV BELOFTE

in Bandung vonden rondom 10 november 1973 inter-universitaire sportwedstrijden plaats. Aanwezig waren o.m. delegaties van studenten-raden van Djakarta, Bandung, Surabaja, Djokja, e.a. Men formuleerde een "Ikrar 10 november-10 november belofte", die hierop neerkomt dat de studenten zich geroepen voelen om betrokken te worden in het maatschappelijk opbouwproces. Tezelfdertijd kwamen de studenten van Indonesië 's belangrijkste universiteit, de UI (Universiteit van Indonesië ) te Djakarta bij elkaar om plechtig te verklaren dat ze vast-besloten waren de studentenoppositie in het land samen te bundelen tot een morele macht. Op 24 december 1973 werd uitvoering gegeven aan dit voornemen door een demonstratieve mars te organiseren van 11 hoofdstedelijke studentenraden. De mars ging naar het gebouw van het presidentieel secretariaat (de sekneg) en het verblijf van de president zelf en het doel was de president te dwingen een dialoog aan te gaan met de studentenoppositie. Suharto zegde toe om op 11 januari 1974 een beperkt aantal studentendelegaties te ontvangen.

MALAM TIRAKATAN

Tijdens deze acties trad de studentenleider Hariman Siregar op de voorgrond. Hij was voorzitter van de studentenraad van de Universitas Indonesia. Onder zijn leiding werd een plechtige avondbijeenkomst gehouden, malam tirakatan. Opmerkelijk was de aanwezigheid van de voorzitter van de Indonesische zeeliedenbond die tevens voorzitter is van de Moslimse arbeidersbond, Sarbumusi. Ook H . Princen, voorzitter van het instituut voor Mensenrechten droeg door zijn aanwezigheid ertoe bij om aan de bijeenkomst een meer dan enkel studenten-karakter te geven. Er werd gesproken over het grote onrecht dat het volk wordt aangedaan, over zijn onderdrukking en naar het heette "de bevoorrechting van Chinezen die alsmaar rijker worden", maar openlijk werd verklaard, dat ook "de generaals zich steeds verrijken". De betjak (fietstaxi)-voerders en werklozen werden opgeroepen om voor zich passende arbeid te eisen.

9 januari

9 Januari 1974 vond een kleine demonstratie plaats voor het gebouw van de Golkar-partij , de functionele groepen, die in feite beheerst wordt door generaal Ali Murtopo, persoonlijk assistent van de president voor politieke zaken, tevens hoofd van de bijzondere inlichtingendienst Opsus (operasi chusus) .
Deze demonstratie van de "Schuldenbetalende generatie", "Nationale Trotscomité" en andere jongerenorganisaties was gericht tegen Ali Murtopo zelf, alsook tegen generaal Sudjono Humardani, per soonlijk assistent voor financieel-economische zaken van Suharto. De jongeren eisten het ontslag van deze twee generaals. Twee voormalige studentenleiders van de PMKRI (Katolieke studentenbond), de gebroeders J. Liem Bian Koen en Liem Bian Kie (de eerste is lid van het parlement en naar het heet tevens agent van de Opsus en beide succesvolle entrepreneurs) die thans tot de kopstukken van de Golkar gerekend worden en nauwe relaties met de twee generaals onderhouden, moesten zich schuil houden omdat de jonge rengroepen ook een poster voerden met het opschrift: "Bian-kie, Bian-koen, meester-brein van de tjukongs . Ongeveer op hetzelfde ogenblik vond een soortgelijke demonstratie in Bandung plaats, waar twee poppen, voorstellende generaal Humardani en premier Tan aka die 14 januari zou arriveren verbrand werden. Indirect werd ook president Suharto zelf op de korrel genomen d.oor een poster met het opschrift: "Ophangen maar de valse dukun (medicijnman) Sudjono Humardani". Deze generaal staat in Indonesie bekend als de medicijnman van president Suharto. Het schijnt dat beide eenzelfde waarzegger-medicijnman raadplegen. 6 Leiders van de Djakarta-demonstratie werden gearresteerd, o.a. Louis Wangge en Julius Usman.

10 januari

10 Januari 1974: een groep jongeren, nadat zij eerst het graf bezochten van de drie in de anti-Sukarno rebellie van 1965/66 gevallen jongeren, legden een bezoek af aan het parlement, trachtten door te dringen tot het woon-verblijf van de president en bezochtten tenslotte het hoofdbureau van politi e om te informeren naar het lot van de 6 gearresteerde leiders. Zij werden zelf gearresteerd. Op dezelfde dag organiseerde de HMI (Islamitische studentenbond) een discussiebijeenkomst over de buitenlandse investeringen, i.h.b. de Japanse. Als paneldiscussi ant was aanwezig Ir. Suhud van het coördinatie-lichaam voor buitenlandse investeringen.

11 januari

11 Januari 1974 ontving president Suharto l00 studenten die 34 studentenraden vertegenwoordigden.

12 januari

12 Januari hielden 12 studentenraden van Djakar ta een appel in het complex van de Christelijke universiteit om de demonstratieplannen te bespreken voor het bezoek van Tanaka. Bij deze gelegenheid werden twee poppen verbrand: "Economisch imperialist Tanaka en "Tokyo-hond Sudjono Humardani .

14 januari

14 Januari 1974 aankomst van Tanaka. ongeveer 500 demonstranten verzamelden zich bij het vliegveld, alleen een kleine groep slaagde erin de bewaking te doorbreken en posters tegen Japan em Tanaka te vertonen op het moment dat de premier landde. De begroetings-ceremonie door de president en vice-president werd zeer summier gehouden. Om 22.00 uur zond de TV een officiële waarschuwing aan het adres van de studenten: "De demonstraties tenderen naar makar (samenzwering met de bedoeling tot aanval en moord)".

15 januari

15 Januari 1974 braken in Djakarta grote rellen uit. Om 08 0 0 uur 's morgens verzamelden de studenten zich voor de medische faculteit van de UI, vanwaar opgemarcheerd werd naar de Trisakti-universiteit, alwaar een appel werd gehouden en waar men de aantijging van makar verwierp. Duizenden stu-denten, jongeren en a ndere elementen uit de bevolking veroverden de straten. Japanse vlaggen en voertuigen werden omgekanteld, in de grachten gegooid of verbrand. Demonstranten trachtten het Paleis te naderen waar Tanaka verbleef, maar werden verstrooid. in Djalan Petjenongan, direct achter de bekende winkelstraat Pasar Baru werden vernielingen aangericht. Een tiental kilometers vandaar verwijderd, in de Chinese wijk Glodok en in een ander winkelcentrum, Pasar Senen, werden grote vernielingen aangericht. Ook in Tandjong Priok woedden felle branden. De drie verdiepingen hoge markthallen van Senen werden verbrand en kleine Chinese juwelierszaken en andere winkels in de omgeving daarvan geplunderd. Ook Indonesische en Indiase bezittingen werden niet ontzien. Enkele stoombadinrichtingen en nachtclubs werden vernield.

Een grote groep demonstranten liep naar de Japanse ambassade die met stenen werd bekogeld. De Japanse vlag werd neergehaald. De commandant van de Kopkamtib, het machtigste controleapparaat van het generaals-bewind, generaal Sumitro, begaf zich met een jeep tussen de menigte. Er ontspon zich een dialoog tussen de generaal en de studenten: "Wij eisen het ontslag van Ali Murtopo en Sudjono Rumardani". Antwoord van Sumitro: "Laat dat maar aan mij over". "Maar bent U wel te vertrouwen?", vroegen de studenten, waarop de generaal zijn hemd openscheurde en zijn robuste borst ontblootte: "Schiet mij dood als je mij niet vertrouwt, maar gaan jullie nu naar huis. Niet lang daarna sprak ook de minister van buitenlandse zaken, Adam Malik de studenten toe en verzocht ze om naar huis te gaan. Een avondklok werd ingesteld, van 6 uur 's avonds tot 6 uur 's morgens. Alle scholen en universiteiten werden gesloten tot nader order.

16 januari

16 Januari 1974. Al vroeg in de morgen werden nachtclubs en stoombadinrichtingen in de Djalan Blora, niet ver van het bekende Hotel Indonesia bestormd, de inhoud vernield en verbrand. In de Coca-Cola fabriek werden trucks en flessen vernield. Het gebouw van de staatsoliemaatschappij Pertamina, waarvan generaal Ibnu Sutowo de direkteur is, ontkwam niet aan vernielingen door demonstranten. De minister van defensie en staatsveiligheid, generaal M. Panggabean, bezocht het totaal verbrande Senencomplex. Aan de menigte beloofde hij dat de regering moeite zal doen om de prijzen te doen zakken. Tegelijkertijd werd nu pas 16.1.1974 de bewaking verscherpt door een anti-rellen brigade van de politie, commando-troepen van de RPKAD (rode baretten) en eenheden van het Djakarta-garnizoen.

De rector en de studentenraad van de UI veroordeelden de vernielingen en brandstichtingen die plaats hadden gevonden. De jurist Adnan Bujung Nasution, voorzitter van het Wets-winkelinstituut, maande de studenten en de jeugd om niet tot anarcnie over te gaan.

In een persconferentie verklaarde generaal Sumirto, gesecondeerd door o. a. de generaals Ali Murtopo en Sudjono Rumardani dat de grens van het toelaatbare was overschreden, het geduld uitgeput en dat arrestaties zouden plaatsvinden.

Het dagblad Nusantara kreeg een verschijningsverbod.
 

17 januari

17 Januari werd de medische faculteit onder strenge bewaking geplaatst. De RSVP (vroeger Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting) deelde mee, dat als gevolg van de rellen 11 personen waren gedood en meer dan 40 gewond. Op deze dag werd ook bekend gemaakt dat H. Princen reeds 14 januari 's avonds was gearresteerd. Ook het parlementslid Iman Waluyo, die de gedachte had geopperd om het instituut van het "presidentieel kabinet" te doen vervangen door een "parlementair kabinet" werd op deze dag gearresteerd.

18 Januari

18 Januari gaf Kopkamtib toe dat studenten en intellectuelen onder arrest waren gesteld. Op deze lijst kwamen de namen niet voor van voor het buitenland bekende figuren, als b.v. bovengenoemde Princen, omdat deze reeds op 14 januari opgepakt was. Evenmin kwam de naam van Mr. Yap Thiam Hien voor, een vooraanstaande figuur in internationaal-christelijke kringen en bestuurslid van het Instituut voor de Mensenrechten, omdat zijn arrestatie op 21 januari plaatsvond na zijn aankomst van een buitenlandse reis.

ARRESTATIES

Op de lijst van l8 januari kwamen de volgende namen voor: Professor Sarbini Sumawinata (direkteur van het Centraal Bureau voor de Statistiek), Dorodjatun Kuntjorojakti, Karsilam Simandjuntak, Adnan Baujung Nasution (de bovenvermelde jurist), Subadio Sastrosatomo (een van de topleiders van Sutan Sjahrir's ex-PSI-partij), Hariman Siregar (de belangrijkste studentenleider gedurende de demonstraties), Jusuf Ar (leider van de KAPPI, scholieren- en jeugdactiegroep die ook tijdens de anti-Sukarno rebellie een rol speelde), Bambang Sulistomo, Mardianto, Fahmi Idris, Jessy Moningka, Sugeng Sarjadi, Gumilang, Theo Sambuaga, Parnama en Salim Hutadjulu (Later bleek dat de arrestanten tot de honderden beliepen).

19 januari

19 Januari kwam een verklaring uit van de studentenraden van 10 universiteiten in Djakarta, waarin de juistheid van het pers-communiqué dat generaal Sumrahadi, woordvoerder van de Kopkamtib, over de gebeurtenissen gaf aangevochten werd. In Oost-Sava verordonneerde de Kopkamtib de sluiting van het Surabajaans dagblad "Suluh Berita ".

20 Januari

20 Januari beval generaal Sumitro alle regionale commandanten van de Kopkamtib om alle demonstraties en extra-parlementaire acties te verbieden.

21 Januari

VERSCHIJNINGSVERBOD

21 Januari verklaarde generaal Ali Murtopo dat de incidenten van 14-16 januari door de ex-PSI-figuren waren uitgelokt en dat ex-Masjumi persoonlijkheden ze uitgebuit hadden. Tegelijkertijd werd in Djakarta een verschijningsverbod opgelegd aan 4 belangrijke dagbladen, t.w. Harian Kami (studentenblad), Abadi (Islamitisch ex-Masjumiblad), Indonesia Raya (Mochtar Lubis) en het engelstalige Jakarta Times, alsmede aan 3 weekbladen, Pemuda Indonesia (Indonesische Jeugd), Wenang , Mingguan Mahasiswa lndonesia (studentenweekblad).

23 Januari

Op 23 januari volgde het verbod tot opheffing van twee, in de anti-Sukarno rebellie actieve jeugdorganisaties Kappi en Kapi , Het dagblad Pedoman (PSI-georienteerd) en het weekblad Express mochten niet meer verschijnen. Over dit laatste feit is verwondering ontstaan, omdat dit weekblad spreektrompet was van Opsus-generaal Ali Murtopo.

Generaal Sumrahadi, het hoofd van het Voorlichtingsbureau voor Defensie en Veiligheidszaken, gaf een verklaring uit waarin stond dat 218 personen, waaronder 75 kinderen naar aanleiding van de rellen waren vrijgelaten, maar dat nog meer dan 500 personen zich onder arrest bevorden om of berecht te worden, dan wel vrijgelaten.

28 Januari

29 Januari schafte president Suharto het instituut van persoonlijke assistenten af en nam zelf het oppercommando over het gevreesde Kopkamtib. Generaal Sumitro, tot toen de commandant, blijft zijn functie behouden als waarnemend commandant van de Strijdkrac h ten. Ook de vier andere generaals, die persoonlije assistenten waren van de president en tezamen in hun functie een soort super-regeringskabinet vormden, blijven hun hevenfuncties die zij naast die van persoonlijk presidentieel assistent bezaten behouden. Generaal Sudjono Humardani blijft lid van de MPB (Volkscongres) en het Parlement. Generaal Ali Kuropo blijft hoofd van de Opsus en waarnemend chef van de Bakin onder Yoga Sugama, die per 28 januari officieel opvolger werd van Sutopo Yuwono. Generaal Surjo, de voormalige assistent voor financië le zaken die in Nederland bekendheid heeft verworven i.v.m. de corruptie-affaire waarbij de Sikkens-fabrieken e.a. zijn betrokken, blijft aan als directeur van Hotel Indonesia International.

4 februari

Nadat geleidelijk aan de scholen en universiteiten heropend werden en de rectoren en schoolhoofden van de Kopkarrtib de nodige richtlijnen tot handhaving van de politieke orde ontvange hadden, werd op 4 februari 1974 een Dewan Stabilisasi Politik en Keananan Nasional, Raad voor de politieke stabilisatie en nationale veiligheid, ingesteld. Dit gebeurde bij Presidentieel Besluit nr. 4/1974. Raadsvoorzitter is de president, generaal Suharto en vice-voorzitter de vice-president Sultan Hamengku Buwono. De leden zijn de minister van defensie/commandant strijdkrachten (Generaal Panggabean), de minister van binnenlandse zaken (generaal Amir Machmud), de minister van justitie (Prof. Mochtar), de minister van buitenlandse zaken (Adam Malik), de minister van voorlichting (generaal Kashuri), de minister van financiële economie/industrie/ voorzitter van het nationaal planbureau (Prof. Widjojo Nitisastro), de minister secretaris van staat (generaal Sudharmono), de procureur-generaal (generaal Ali Said), de secretaris-generaal van de nationale defensie en veiligheidsraad (generaal M. Kartakusuma), de staf-chef van de Kopkamtib (admiraal Sudomo) en de commandant van de Bakin (generaal Yoga Sugama).
 
 
 

Groeiende ontevredenheid

Hiermee is voorlopig een belangrijke politieke ontwikkeling afgesloten, die begonnen werd met een georganiseerd stedelijk verzet waarin de studenten en de jeugd de spits afbeten. In de demonstraties en acties van de laatste maanden van 1975 en in de maand januari 1974 zijn zeker aanzetten waarneembaar tot een poging om van het militair bewind hervormingen af te dwingen van verstrekkende aard. Maar onbeantwoord moet de vraag blijven of de Indonesische jeugd het voorbeeld van Bangkok bewust voor ogen hebben gehad: door demonstraties de gehate regering ten val te brengen, makar tegen de regering om die te vervangen door een democratischer burgerlijk bewind.
Of een bepaalde machtsgroepering, hetzij binnen- of buitenlands de studenten en jeugd tot zo'n doel had aangezet is ook niet te bewijzen. Sedert begin februari 1974 hebben illegale pamfletten in Djakarta gecirculeerd en geruchten de ronde gedaan dat drie belangrijke generaals zouden zijn gearresteerd, met name de generaals Sumitro, A.H.Nasution en Djatikusumo. Op 4 Februari werd het regeringspersbureau Antara door generaal Sumrahadi gemachtigd om deze geruchten tegen te spreken. Blijkens een bericht in Merdeka en Sinar Harapan van 1 Febr. 1974 heeft dezelfde generaal Sumrahadi echter erkend dat er onder de arrestanten zich ook een lid van de strijdkrachten bevindt. Ook parlementsleden behoren tot de gearresteerden (Berita Yudha, 15/16 Januari 1974). De officiele regeringsverklaring die de demonstranten beticht van een poging tot een staatsgreep te hebben gedaan kan niet voetstoots worden aangenomen.
Het is niet ondenkbaar dat zij alleen bedoeld is als rechtvaardiging voor de strengere, repressieve maatregelen die na de rellen werden uitgevaardigd. In Djakarta bestaat er een theorie die er van uitgaat dat het afbranden van het Senen-project (de moderne markt-hallen) door de OPSUS (bijzondere veiligheidsdienst)- commandant Ali Murtopo werd, geinstigeerd om zijn rivaal generaal Sumitro in diskrediet te brengen. Het is zeker dat de nu duidelijk bedreigde regering van Suharto een nog straffer onderdrukkingsbeleid zal voeren. De vraag blijft echter of dit bewind er in zal slagen om nieuwe verzetspogingen de kop in te drukken.
AAN DE TOP IS EEN MACHTSSTRIJD GAANDE, AAN DE BASIS GROEIT DE ONTEVREDENHEID.





Arrestanten januari-demonstraties wacht zelfde lot als G30S/PKI gevangenen

Kompas 19.2.1974

De minister van justitie, Prof. Mochtar Kusumaatmadja verklaart, dat wanneer de staat door een noodsituatie wordt bedreigd zij het recht heeft om zich te verdedigen. De gebeurtenissen van 15-16 Januari geven aanleiding om dat recht te hanteren. Derhalve zijn bepaalde personen in voorlopige hechtenis gesteld. De rechtsgrond voor de arrestatie is het MPR besluit (=Volksraadsbesluit) nr.X inzake de "Taakbedeling en bevoegdheid van de President/Mandataris MPR ter verwezenlijking van de taken van het Ontwikkelingskabinet". Art.2 van dit besluit luidt: "aan de President/ Mandataris MPR wordt de bevoegdheid gegeven om maatregelen te nemen, die noodzakelijk zijn voor de veiligheid, de eensgezindheid en eenheid van het volk, alsmede ook ter voorkoming van het gevaar van herhaling van de G3OS/PKI en van ander subversief gevaar. ...."(Noot Red."Indonesia": M.a.w. kan de doodstraf worden geeist en voltrokken, zoals het geval van de leider van de z.g. 30 September-Beweging (G30S), lt.kol. Untung of kan de z.g. "voorlopige hechtenis" zonder rechterlijk vonnis omgezet worden in levens-lange opsluiting in een concentratiekamp. Dit laatste is bijvoorbeeld het lot van de z.g. B-categorie politieke gevangenen.)