INDONESIE FEITEN EN MENINGEN JAARGANG 20 NUMMER 2 NOVEMBER 1997

Jongeren beschuldigd van terrorisme

In september werden tenminste dertien Oost-Timorese jongeren in Dili
en Oost-Java gearresteerd.  Zij zouden volgens de Indonesische
autoriteiten explosieven hebben vervaardigd om civiele doelen op te
blazen.  Amnesty International beschikt over gegevens dat acht
gedetineerden slecht behandeld en gemarteld zijn.  Ook zouden de
jongeren die in Semarang en Dili vastzitten geen toegang hebben tot
advocaten van hun keuze.  Het Indonesisch Bureau voor Rechtshulp (LBH)
bevestigt dit.  De organisatie protesteerde op 26 september bij de
politie in Semarang omdat zij geen contact kregen met hun vier
cliënten.  Een week eerder hadden advocaten van het LBH de jongeren
ook al niet te spreken gekregen.  De lokale politie verklaarde te
handelen in opdracht van de veiligheidsdienst BIA.  Het zou gaan om
een zaak van staatsbelang.  De militaire commandant van Oost-Timor,
kolonel Slamet Sidabutar, noemde de arrestanten terroristen.
Op 13 september vond een explosie plaats in een huis in Demak nabij
Semarang dat gehuurd werd door drie Oost-Timorezen.  De Indonesische
autoriteiten verklaarden dat het zou gaan om een voortijdig ontplofte
bom.  Negen Oost-Timorezen werden onmiddellijk in hechtenis genomen,
twee dagen later gevolgd door vier Oost-Timorese jongeren die net met
de boot uit Semarang in Dili waren gearriveerd.  Volgens kolonel
Slamet Sidabutar werden handgemaakte explosieven en brieven van Xanana
Gusmao bij de jongeren aangetroffen.  Op 19 september vluchtten zes
Oost-Timorezen, waaronder twee kinderen, de Oostenrijkse ambassade in
Jakarta binnen.  De vluchtelingen lieten de Oostenrijkse autoriteiten
weten naar Portugal te willen vertrekken, maar de daartoe benodigde
papieren bleken niet af te komen.  Begin oktober werd duidelijk dat de
Oostenrijkers van hun Indonesische collega's een uitleveringsverzoek
hebben gekregen voor twee van de ambassadevluchtelingen, omdat ook zij
zouden zijn betrokken bij de zaak van de handgemaakte explosieven.
Minister van Buitenlandse Zaken Ali Alatas verklaarde dat zijn
regering niet toe zal staan dat de twee het land verlaten.  Vanaf dat
moment werd door verschillende Indonesische woordvoerders gesproken
over het bijtijds oprollen van een netwerk van terroristen', waarbij
ook een Australiër zou zijn betrokken.  De Australische regering werd
verzocht te helpen bij zijn opsporing.  De man zou in maart in Demak
zijn aangekomen, waar hij de Oost-Timorezen zou hebben geleerd
explosieven in elkaar te zetten.  Na zijn vertrek zou hij naar
Portugal zijn vertrokken, waar hij onder meer een ontmoeting zou
hebben gehad met José Ramos Horta, de buitenlandwoordvoerder van de
verzetscoalitie CNRM.  Een loslippige generaal, Wahab Mokodongan, wist
te vertellen dat Nobelprijswinnaar Horta een terrorist is, die
aanslagen in zowel Indonesië als Oost-Timor zou voorbereiden (Jakarta
Post, 22.10.97).
Op 14 oktober meldde de Sydney Morning Herald dat Xanana in een brief
de Oostenrijkse regering gevraagd zou hebben de ambassadevluchtelingen
niet uit te leveren.  De tot 20 jaar cel veroordeelde verzetsleider
zei de verantwoordelijkheid op zich te willen nemen, omdat de jongeren
in zijn opdracht zouden hebben gehandeld.  Xanana benadrukte in zijn
brief volgens het dagblad dat de bommen, in tegenstelling tot wat de
Indonesische autoriteiten beweren, nooit bedoeld waren om tegen
civiele burger ingezet te worden.
De moeder van een van de vier gedetineerden in Semarang verklaarde
tegenover het persbureau Reuter (14.10.97) zich niet voor te kunnen
stellen dat haar zoon, Domingos Natalino Coelho da Silva, ook maar
iets te maken zou hebben met explosieven.  Ook zei ze te vrezen voor
het lot van haar andere zoon, die zich op dat moment in de
Oostenrijkse ambassade bevond.

[terug]