INDONESIE FEITEN EN MENINGEN JAARGANG 20 NUMMER 2 NOVEMBER 1997

De bosbranden in Indonesië

Waar rook is, is vuur

Yvette Lawson

Meer dan 1 miljoen ha grond is volgens de Indonesische
milieu-organisatie Walhi sinds juli dit jaar in vlammen opgegaan.
Tientallen mensen zijn als gevolg van de grootschalige bos- en
veenbranden op met name Kalimantan en Sumatra om het leven gekomen.
Tienduizenden anderen hebben zich moeten laten behandelen in
ziekenhuizen.  Miljoenen mensen in Indonesië en de buurlanden staan
dagelijks bloot aan de ziekmakende smog.  Luchthavens zijn gesloten,
toeristen blijven weg, schepen zinken als gevolg van aanvaringen.  Ook
de vliegramp op Sumatra zou niet toe te schrijven zijn aan een fout
van de piloot, maar aan slecht zicht bij de landing.  Getroffenen
vragen zich af wanneer Jakarta effectieve maatregelen neemt.  De
buurlanden Brunei, Singapore, Maleisië, Thailand en de Filipijnen
morren:  de brandbestrijding verloopt chaotisch en wordt belemmerd
door het ontbreken van een centrale coördinatie.  Weerkundigen
voorspellen dat de moessonregens die in juli en augustus hadden moeten
komen wel tot eind 1997 uit kunnen blijven.

Branden zijn in Indonesië een jaarlijks terugkerend verschijnsel.
Maar door de extreme droogte, die door weerkundigen gedeeltelijk
toegeschreven wordt aan het klimatologisch verschijnsel 'El Nino',
gaat het 'business as usual'-verhaal voor het uitgaan van de branden
niet op.  Elk jaar worden vlak voor het natte seizoen aanbreekt
stukken grond schoongebrand.  Door kleine boeren voor wie de as op hun
kleine stukjes grond ook als mest dient.  Maar steeds meer grond wordt
afgebrand door grote ondernemingen die zich specialiseren in de aanleg
van lucratieve rubber- en oliepalmplantages en bosbouwondernemingen
die grondstoffen leveren voor de papierindustrie.  Waar een boer
genoeg heeft aan 1 ha grond, branden de ondernemingen duizenden
hectares tegelijk af.
Doorgaans werden de kleine boeren aangewezen als hoofdschuldigen voor
het ontstaan van gras- en bosbranden.  Dit jaar echter stak de
minister van Milieu, Sarwono Kusumaatmadja, de beschuldigende vinger
uit naar 176 grote plantage- en bosbouwbedrijven.  Uiteindelijk werden
begin september, ruim twee maanden na het begin van de branden, de
vergunningen van 29 bedrijven ingetrokken.  De bedrijven zouden niet
voldoende gedaan hebben om de branden op hun gronden te stoppen.
Satellietopnames toonden aan dat 80% van de branden woedde in gebieden
waar bedrijven rubber- en palmolieplantages exploiteerden dan wel
bosbouw bedreven ten behoeve van de papierindustrie.
Critici in de Indonesische milieubeweging staan sceptisch tegenover de
door de regering genomen maatregelen.  De president bood sneller zijn
verontschuldigingen aan aan de door de smog getroffen buurlanden, dan
dat ze de Indonesische bevolking te hulp schoot.  Het blussen van de
branden lijkt bovendien onnodige vertraging op te lopen door het
ontbreken van coördinatie tussen verschillende ministeries en de
ontoereikendheid van het arsenaal nationale blusmiddelen.  De 1,6
miljoen gulden die beschikbaar is gesteld in een noodfonds, worden
volstrekt onvoldoende geacht om de omvang van de branden en de
gevolgen te bestrijden.  Het fonds voor herbebossing dat een veelvoud
van de noodfondsgelden bedraagt, is deels besteed aan ondersteuning
van de vliegtuigindustrie van de minister van Technologie, Habibie,
banken die als gevolg van de valutacrisis failliet dreigden te gaan en
aan de bouw van een grote papier- en pulpfabriek in Oost-Kalimantan
die in bezit is van de houtgigant Bob Hasan.  De milieu-activisten
twijfelen aan de effecten van het intrekken van de vergunningen.
Worden de echte boosdoeners, de grote conglomeraten, die dicht bij 's
lands eerste familie staan, aangepakt?  Worden bedrijven waarin de
kinderen en aangetrouwde familie van de president belangen hebben,
echt aangepakt?  En als zakenmensen zoals Liem Sioe Liong, Eka Tjipta
Wijaya, Prayogo Pangestu en Bob Hasan al van plan zijn publiekelijk
aan te kondigen hun leven te beteren, zal het management van de lokale
bedrijven dan veranderen?  Sinds 1995 hebben bedrijven die gerooide
grond bouwrijp willen maken door middel van de methode van afbranden
daartoe een vergunning nodig.  In de praktijk blijkt de relatief
snelle en goedkope methode van het afbranden van grond niet aan banden
te zijn gelegd.  Het Instituut voor de Implementatie van
Milieumanagement, Mapedal, hoort toe te zien op de naleving van dit
vergunningenstelsel.  Wie de verordening overtreedt, loopt het risico
voor tien jaar achter de tralies te verdwijnen en een geldboete van
maximaal fl. 60.000 te moeten betalen.  In de praktijk blijken de
onderaannemers van de conglomeraten hun neus op te halen voor de
regel, terwijl kleinere bedrijven en lokale boeren er niet van op de
hoogte zijn.  De directeur van de Vereniging van Rubberplanters,
A.F.S.  Budiman, wijst nog op een andere hindernis bij de uitvoer van
de verordening.  Als lokale overheidsfunctionarissen de regel uit
 95 willen toepassen, 'dan koop je ze gewoon om of je belooft ze een
aandeel in het bedrijf' (Far Eastern Economic Review, 02.10.97).

Uitbreiding commerciële plantages

De organisatie Walhi en anderen wijzen nog op een andere
inconsistentie in het beleid.  Terwijl juist plantage- en
houtkapbedrijven aangewezen zijn als hoofdschuldigen van de
milieuramp, zijn het diezelfde bedrijven die door de overheid
gestimuleerd worden zich uit te breiden.  Zo heeft de regering laten
weten in het jaar 2005 de grootste palmolieproducent te willen zijn.
Sinds 1985 werd het arsenaal oliepalmplantages uitgebreid van 600.000
naar 2,2 miljoen ha.  De helft van het arsenaal is in handen van de
grote conglomeraten, 440.000 ha behoort toe aan staatsbedrijven en
760.000 ha aan kleine boeren.  De komende twee, drie jaar wil de
overheid de sector met 3,3 miljoen ha uitbreiden.  Ook bosbouwpercelen
ten behoeve van de papierindustrie verdienen volgens de overheid
uitbreiding met tenminste een half miljoen ha voor het jaar 2000.  Het
gaat dan vooral om de aanplant van de snel groeiende eucalyptusboom en
de acacia.  Er staan meer megaprojecten op stapel.  In
Centraal-Kalimantan moet de komende jaren 1 miljoen ha moerasbos
wijken voor een mega-rijstproject.  Het project is een troetelkind van
de president zelf.  Veel van de branden in Centraal-Kalimantan woeden
juist in dit oorspronkelijke moerasbos.  Experts zeggen dat de
drainage van het moerasland de veengrond extra brandbaar heeft
gemaakt.  De veenbranden kunnen nog jaren ondergronds smeulen.  De
plantage-ontwikkeling dient niet alleen de nationalistische gevoelens
en de schatkist voor wat betreft inkomsten uit de niet-olie sector,
maar dient ook de regeringsdoelstelling om mensen te hervestigen uit
het dichtbevolkte Java in volgens de regering te ontsluiten gebieden.
Bedrijven die 80% van hun arsenaal uitbesteden aan transmigranten
ontvangen overheidssubsidie.  De opbrengst, het spreekt voor zich,
wordt tegen een door het bedrijf vastgestelde prijs opgekocht door het
bedrijf.
De branden, die de gezondheid van miljoenen mensen bedreigen, lijken
vooral een symptoom te zijn van de uitbreiding van commerciële
plantages ten koste van het grondgebruik door kleine boeren en
ongerepte natuurgebieden.  Dat heeft milieu-organisaties ertoe
gebracht te pleiten voor een drastische wijziging van het
regeringsbeleid.  Niet allen de streefcijfers voor de
plantage-uitbreidingen zouden moeten worden herzien; het hele
economische beleid gericht op winstmaximalisatie op korte termijn zou
vervangen moeten worden door een duurzaam ontwikkelingsconcept.
Dergelijke ideeën brachten Suharto's golf- en vispartner, Bob Hasan,
ertoe de milieu-activisten weg te zetten als 'communisten' en aan
'communistische groepen' gerelateerde personen.  De boeren, en niemand
anders, zijn de hoofdschuldigen van de branden, aldus Hasan.  Walhi
lijkt zich terecht af te vragen of personen als Bob Hasan, die zo
dicht bij de presidentsfamilie staan, onder het huidige politieke
bestel ter verantwoording kunnen worden geroepen.
Deskundigen uit internationale milieu- en natuurorganisaties schatten
in dat het 25 jaar kan duren voor de natuur zich heeft hersteld van de
bos- en veenbranden die dit jaar woeden.  Weerkundigen doen de sombere
voorspelling dat door de invloed van 'El Nino' op het klimaat
Indonesië in 1998 met nog grotere droogten te kampen kan krijgen.  Nu
al leidt de droogte tot misoogsten, watertekorten, uitstel van het
plantseizoen en ziektes als gevolg van het ontbreken van schoon
drinkwater.  De economische rekening die als de smog optrekt langzaam
opgemaakt kan worden, komt slecht uit nu het economische wonder van de
Nieuwe Orde op zijn grondvesten schudt.  Sinds juli bereiken de
branden steeds grotere hoogtepunten en de rupiah steeds nieuwe
dieptepunten.  De sociaal-politieke spanningen die sinds de algemene
verkiezingen mei dit jaar met regelmaat aan de oppervlakte komen,
zullen er aan de vooravond van de presidentsbenoeming in maart 98 niet
minder op worden.  Vijfsterren-generaal Suharto, om wiens
herverkiezing het dan gaat, heeft zorgen.  De minister van Milieu
vatte het krachtig samen:  'Als wij onze manier van doen niet
veranderen, zullen wij niet overleven als natie' (Sydney Morning
Herald, 07.10.97).  Een analogie dringt zich op.  Eerst branden de
talrijke grasvelden.  Dan is de lage vegetatie, de struiken en de
lagere bomen, aan de beurt.  Uiteindelijk worden ook de oudste en
hoogste bomen door het vuur geveld.

[terug]