INDONESIE FEITEN EN MENINGEN JAARGANG 20 NUMMER 2 NOVEMBER 1997

Human Rights Watch Asia: Schendingen op Oost-Timor nemen toe'

In het rapport Deteriorating Human Rights In East Timor dat op 29
september werd uitgebracht door Human Rights Watch Asia (HRWA) wordt
geconcludeerd dat het conflict tussen het Indonesische leger en
verzetsgroepen op Oost-Timor is geëscaleerd na een reeks van
guerilla-activiteiten rondom de Indonesische parlementsverkiezingen
afgelopen mei.  Terwijl de uitkomst van de verkiezingen al bij
voorbaat vaststond (Golkar kreeg op Oost-Timor 80% van de stemmen
tegenover 74% in Indonesië zelf), werd het moment zelf door het verzet
aangegrepen om de aandacht te vestigen op de Indonesische bezetting
die nu al 22 jaar gaande is.  Daarbij pleegden de guerillas aanslagen
op stembureaus, ambtenaren en - in enkele gevallen - kiezers; er
vielen ten minste 30 doden, waaronder tien burgers.  HRWA keurt de
aanslagen van het verzet af, maar stelt eveneens dat de
vergeldingsacties door Indonesische troepen op geen enkele wijze te
rechtvaardigen zijn.  Het Indonesische leger wordt in het rapport
beschuldigd van mensenrechtenschendingen op grote schaal.  Op de
guerilla-activiteiten werd in de daaropvolgende maanden gereageerd
door talloze (willekeurige) arrestaties en detenties, welke vaak
vergezeld gingen van martelingen.  HRWA schrijft:  Teams van
militairen hebben systematisch grote aantallen mensen opgepakt, deze
dagen of wekenlang vastgehouden zonder arrestatiebevel en hen
ge‹ntimideerd of gemarteld teneinde informatie over mogelijke
verdachten los te krijgen'.  Het zou hierbij gaan om honderden
Timorezen volgens een patroon dat al jaren door de bezettingstroepen
wordt toegepast.  Met gepaste weerzin merkt HRWA op dat martelingen
kennelijk zelfs een bron van inkomen zijn geworden voor individuele
militairen die foto's of zelfs videobanden van ondervragingen verkopen
aan de hoogste bieder, waarbij de prijs stijgt naarmate meer
gruwelijke details zijn opgenomen.

In het rapport wordt de verhoogde activiteit van het verzet in verband
gebracht met de poging van Indonesië de veiligheidstroepen te
timoriseren', waarbij onder meer zwaar wordt geleund op jonge
werklozen die worden ingezet als informanten.  HRWA merkt op dat het
geweld volgde op een periode van oplopende sociale en politieke
spanning in het gebied.  Deze werd deels veroorzaakt door de komst
vanaf halverwege 95 van paramilitaire en counterinsurgency' groepen,
die voornamelijk bestaan uit Oost-Timorezen die slechts een beperkte
training krijgen voordat ze worden uitgerust met wapens.  Een
pro-integratie jeugdmilitia, bekend onder de naam Gardapaksi', is
eveneens een groot probleem gaan vormen.  Opgericht in juli 95 met de
kennelijke bedoeling Timorese jongeren te scholen als bijvoorbeeld
meubelmaker of autoreparateur, ontwikkelde de Gardapaksi zich al snel
tot partner van het Indonesische leger in militaire operaties.
  De spanning in Oost-Timor is verder opgelopen als gevolg van de
groeiende stroom van Indonesiërs, die zich hetzij als transmigranten
hetzij als spontane migranten in de Oost-Timorese steden vestigen.  In
de aanloop naar de verkiezingen was transmigratie naar Oost-Timor als
campagne-issue naar voren geschoven.  Minister van Transmigratie,
Siswono Yudohusodo, bezocht het eilanddeel om propaganda te maken voor
zijn beleid en figureerde op de kieslijst voor Oost-Timor, die werd
aangevoerd door minister van Buitenlandse Zaken Ali Alatas.  Een derde
bron van spanning vormen de economische plannen voor het gebied.
Hierbij wordt als voorbeeld genoemd een grootschalig project voor
suikerteelt, waarvoor 25.000 ha van de meest vruchtbare grond in de
zuidelijke kuststreek gereserveerd is.  De belangrijkste investeerder
in dit project is Suharto's zoon, Tommy.

De volledige tekst van het Human Rights Watch Asia is beschikbaar via
de ASIET web site op het Internet:
  www.peg.apc.org/~asiet/
onder de sectie  Miscellaneous reports and articles'.

[terug]