VAN
HET KONINGRIJK der NEDERLANDEN.
WIJ WILLEM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden,
Prins vanOranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz.,
enz.
Allen die deze zullen zien of hooren lezen,
salut!
doen te weten:
Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat bij het
traktaat op den 17den Maart dezes jaars te
Londen tusschen de Nederlandsche en Britsche Gevolmagtigden gesloten, de
wederzijdsche belangen en regten in Indië op eenen billijken en vasten
voet worden geregeld, bijzonderlijk ook door de daarbij omschreven ruiling
en afstand van grondgebied, zoo op het vaste land van Indië als in
den Indischen Archipel ;
Gelet op het laatste gedeelte van art. 58 der grondwet
;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
van de Staten- Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze, hetzelve traktaat goed
te keuren.
Lasten en bevelen dat deze in het staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, kollegien en ambtenaren aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 18den Juni desjaars 1824, en van Onze regering het elfde.
Van wege den Koning,
J. G. DE MEY VAN STREEFKERK.
Uitgegeven den vier en twintigsten Juni i824.
De Secretaris van Staat,
J. G. DE MEY VAN STREEFKERK.