Hendrik Freerk Tillema was apotheker in Nederlandsch-Indië waar
hij schatrijk werd met het bottelen van ajer blanda, mineraalwater. Tillema
zette zijn kapitaal in om een rechtvaardiger kolonialisme te bepleiten. Als
fotograaf legde hij de armoede in de koloniën vast die onverbrekelijk verbonden
leek met de westerse luxe.
Het resultaat van zijn sociale fotografie bundelde hij (in eigen beheer
uigegegeven) boeken van honderden pagina's. Tillema's ideeën over een rechtvaardiger
verdeling van de welvaart (`het zijn tenslotte toch de tropische bewoners
die het werk doen') gelden nog steeds. Zijn voorstel was simpel: de rijke
landen moeten meer betalen voor grondstoffen en arbeid van de koloniën.
Rob Nieuwenhuys, de nestor van de Indische letteren en fotografie, schrijft aan het eind van zijn standaardwerk Tempo doeloe. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920: "Het gaat juist om wat niet op de foto's staat: de ziekten, de honger, de natuurrampen, het zware werk, het misbruik van gezag, de willekeur, het onrecht, de drukkende lasten, de onveiligheid, de woeker, het opiumkwaad, de dobbelzucht, kortom alles wat uit een permanente armoede voortkomt." In het kort na zijn tachtigste verjaardag verschenen derde deel Met vreemde ogen (1988) benadrukt hij dat er weinig foto's van de orang ketjil, de "kleine man", bestaan: "Welke Europeaan wilde de armoede komen bezichtigen en op de glasplaat vastleggen? Wie bezocht anders dan noodgedwongen de kampoengs met hun wrakke, vervallen bamboehutten?" Na vijfhonderd badzijden Tempo doeloe-fotografie verontschuldigt hij zich: "Van de 'andere wereld', van de kampoengs, van de desa's, van de bewoners en van de omstandigheden waarin die leefden (...) bestaan ook niet veel foto's. Dit heeft mijn keuze beperkt. Daarom ook biedt dit fotoboek geen representatief beeld van de Indonesische samenleving. Ik ben sterk afhankelijk geweest van het aanwezige fotomateriaal." Hendrik Freerk Tillema (1870-1952) heeft duizenden foto's gemaakt en verzameld om de gangbare romantisch-esthetische kijk op de koloniale tijd als Tempo doeloe (de goede oude tijd) aan te vullen met realistisch-documentaire tegenbeelden. Het Tillema-archief bevat stapels afbeeldingen van "de kampoengs, van de bewoners en van de omstandigheden waarin die leefden", en van "permanente armoede".
Tillema vertrok in 1896 naar Java, waar hij in Semarang in dienst trad
bij de "Samarangsche-Apotheek". In 1899 kon hij het bedrijf kopen: nog geen
dertig jaar oud was hij de enige eigenaar.
De routine van het apothekersvak,
het afwegen en mengen van poeders en vloeistoffen, verveelde hem sinds lang.
Deel van de apotheek was een ondergeschikt bedrijfje voor de aanmaak van
gebotteld water, dat hij uitbouwde tot een voor die tijd hypermoderne fabriek
van koolzuurhoudende dranken. In 1901 liet hij als eerste in Indië een fabriekshal
van gewapend beton neerzetten, waar de arbeiders aan een lopende band werkten,
en haalde hij al een omzet van meer dan een half miljoen flessen per jaar.
De ajer blanda (blank water) van de firma Klaasesz en Co. kreeg als beeldmerk
een zwarte kater die met zwaaiende staart in zijaanzicht loopt over de merknaam
Hygeia. Eind 1901 trouwden hij en Anna Sophia Weehuizen, een onderwijzeres,
die later aan veel van zijn publicaties actief heeft bijgedragen als lezeres
en corrector.
Tillema's "gazeuze lemonades" en "minerale tafelwaters" brachten hem het koloniale fortuin van het zuiverste water. In 1910 is de productie opgelopen tot tienduizend flessen per dag. Datzelfde jaar werd hij lid van de jonge gemeenteraad van Semarang. De cholera-epidemie van 1910 liet onuitwisbare indruk achter. Met zijn eerder verworven vaardigheid in het maken van reclame voor Hygeia ging hij nu publiciteit maken voor de volksgezondheid. In 1911 verscheen Riooliana, ruim 40 bladen, de helft tekst, de rest foto's en kaarten. Voor het eerst vraagt hij onbeschroomd aandacht voor de onderkant van de koloniale samenleving. Tillema bekijkt ook letterlijk de beerput van de koloniale tijd. Hij betoogt: "Elk deugdelijke samenstel van riolen is duur, maar onmisbaar voor de bestrijding van infectieziekten." De enkele foto's in Riooliana vormen het begin van zijn Indische beeldarchief.
Terwijl hij het succes van zijn limonadefabriek wist te vergroten, bleef
hij de volksgezondheid in Semarang bestuderen. In 1913 verscheen zijn eerste
grote werk: Van Wonen en Bewonen, van Bouwen, Huis en Erf, een pioniersstudie
van een Indische stad. Hij was radicaal noch revolutionair. Nederland regeerde
Indië, dat moest zeker voorlopig zo blijven. Hij moet in die jaren overtuigd
zijn geweest dat het koloniale bewind mede door zijn inspanning van binnenuit
zou worden hervormd. Met zijn realistische verslagen wilde hij concrete verbeteringen
bewerkstelligen. Inderdaad werd in Semarang een waterleiding aangelegd, waarbij
veel stadkampongs openbare kranen kregen. In 1914 werd hij benoemd tot officier
in de orde van Oranje Nassau.
Datzelfde jaar gingen de Tillema's voorgoed terug naar Nederland. Hij
ging rentenieren (eerst in Paterswolde, later in Groningen), al zat hij niet
stil. Hij was 44 jaar, welgesteld en energiek als altijd. Tussen 1915 en
1923 verscheen Kromoblanda, wat betekent: (het samengaan van) bruin
en blank. In ruim 2100 grote bladzijden (35 x 23 cm), met de tekst in twee
kolommen, en voorzien van veel statistisch materiaal en honderden ingekleefde
zwart-wit foto's, geeft hij een encyclopedisch overzicht van de volksgezondheid
in Nederlandsch-Indië. De zes delen (in zeven banden) liet hij op eigen kosten
drukken in een oplage van duizend exemplaren die hij gratis zond aan leden
van de Staten-Generaal en anderen in Nederland en Indië. Het heeft hem veel
geld gekost, "geld in Indië verdiend en op deze manier weer besteed voor
dat land en de daar wonende mensen".
Naast zijn vrouw Anna steunden
hem ook zijn ongetrouwde half-zus Fokje Tillema, die hielp bij het persklaar
maken van meerdere boeken, en zijn vriend Henricus Uden Masman, die vanuit
zijn Haagse drukkerij "de Atlas" bijna al zijn boeken en brochures heeft
geproduceerd.
Wat dreef hem? In Kampongwee! (1919) vertelt hij
hoe hij in 1910 tijdens de cholera-epidemie in Semarang het hospitaaltje
bezocht. Tillema: "Een hoek omslaand zagen we een man kermend op de grond
liggen, krimpend als een worm die een haak het lichaam voelt binnendringen.
`Toewan, toewan,' kermde de stumper, `saja-poenja-proet-seperti-di-bakar.
Toelong! toeloeng!' (Toewan, toewan, het is of mijn buik verbrandt. Help
mij! help mij!) De woorden klonken mij, de `blanda', pas ingewijd in de verborgen
narigheden van de stadskampongs, als een scherp verwijt in de oren. Vergeten
heb ik die woorden nooit." Aanvankelijk ging het om woontoestanden in Semarang,
later om veelsoortige wantoestanden in de hele archipel.
In 1923 verhuisde het gezin Tillema van Groningen naar Bloemendaal. Daar in de duinen bleef de bescheiden villa "Semarang" dertig jaar zijn adres, met onderbrekingen van een of enkele jaren. In 1924, inmiddels midden vijftig, reisde hij door de archipel, van Sumatra tot Nieuw-Guinea. In Zonder Tropen - geen Europa! (1926) beschrijft hij de reis, met ruim 300 door hem gemaakte foto's. Tillema meende jarenlang dat als de westerlingen hun afhankelijkheid van tropische grondstoffen zouden beseffen - olie, rubber, kapok, copra en al die andere produkten die aan hun comfort zoveel bijdragen - zij uit ingeboren gevoel voor rechtvaardigheid een deel van hun overvloed zouden doorgeven aan de mensen in de tropen. Hij verzamelde foto's van de inheemse arbeiders als het bewijs van zijn stelling: het zijn de tropische produkten en vooral de tropische mensen die de luxe in het westen mogelijk maken.
Op ongeveer zestigjarige leeftijd gooit Tillema het roer om. Hij gaat
naar Centraal-Borneo (Midden-Kalimantan) met een nieuwe taak: als filmer
en etnograaf van de Dajaks. Opnieuw toont hij zijn verbazende doorzettingsvermogen
als hij zich rond zijn zestigste verder bekwaamt in het filmen met een 35-mm-camera
in de tropen.
Ruim een jaar (1931-1932) duurde de reis, een hoogtepunt in zijn rijke
leven. Doodmoe kwam hij thuis, popelend om zijn films naar het laboratorium
te brengen. Groot was de voldoening toen bleek dat het kwetsbare materiaal
op de juiste wijze belicht was teruggekomen. In 1933 vertoonde hij zijn film
Naar Apo-Kajan, 68 minuten, zonder geluid, met een door hem gesproken tekst.
Na een rustpauze van een jaar pakte hij met zijn oude zelfvertrouwen de grote onderneming weer op.
In 1938 verscheen: Apo-Kajan. Een filmreis naar en door Centraal-Borneo,
met 336 afbeeldingen. Van alle plaatsen waar hij was geweest waren de binnenlanden
van Borneo het minst beïnvloed door de westerlingen. Al kon hij de Dajaks
niet voor ingrijpende veranderingen behoeden, hij zorgde dat zij op film
en foto verder bestaan.
In 1939 werd Tillema door koningin Wilhelmina bevorderd tot Ridder
in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 9 november 1940 kreeg hij een eredoctoraat
in de geneeskunde van de universiteit van Groningen "voor zijn inzet voor
betere hygiënische woonomstandigheden in Nederlandsch Oost-Indië".
In het oorlogsjaar 1942 liet hij zijn archief en bibliotheek naar het
Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden overbrengen. Op 26 november 1952 is
hij tijdens zijn gebruikelijke middagslaapje rustig in zijn bed overleden.