Annie Averink
communisten geven hun strijd ervaringen doorHalf december 1948 startte de Nederlandse regering onder premier Drees een nieuwe koloniale oorlog tegen de jonge republiek Indonesië, die verontschuldigend als tweede politionele actie de Nederlandse geschiedenis is ingegaan. Middels felle terreur tegen de Indonesische bevolking probeerde men de Nederlandse positie tegenover de republiek te versterken. Christenen, zoals dominee Buskes, en talrijke sociaal-democraten waren scherp tegen de militaire acties van Nederland gekant. De enige partij echter die als één geheel tegen de koloniale oorlog optrad en als partij de praktische solidariteit met het Indonesische volk organiseerde, was de CPN. Eén van de mensen die intensief bij de activiteiten waren betrokken, is Annie Averink.
Door HANS GROENEWEGEN
Op 17 augustus 1945 werd de republiek Indonesië uitgeroepen. Vanuit de politieke ontwikkelingen die zich in Nederland gedurende de bezettingstijd hadden voorgedaan, was het helemaal niet vanzelfsprekend dat er zo hard tegen de jonge republiek zou worden opgetreden. Belangrijke groepen van de bevolking waren voor een of andere vorm van onafhankelijkheid voor het Indonesische volk. Ook koningin Wilhelmina had in 1942 in een weliswaar wat vage rede het recht op eigen zeggenschap moeten erkennen. ,,Maar toen puntje bij paaltje kwam," zegt Annie Averink, wilde men eerst helemaal niet met Soekarno onderhandelen." Voor de CPN was de strijd voor de erkenning van het volledig zelfbeschikkingsrecht van het Indonesische volk een belangrijk politiek strijdpunt. Ook voor de oorlog zette zij zich al in voor de volledige onafhankelijkheid van het toenmalig Nederlands Indië. De concrete activiteiten die vanuit de CPN werden ondernomen waren ingebed in dat principiële uitgangspunt.
Japans fascisme
Annie Averink constateert een grote overeenkomst in de manier
waarop de Nederlandse vooroorlogse regeringen omgingen met de
fascistische dreiging in Europa en de Japanse fascistische dreiging
in Azië. Het fascisme werd niet alleen onderschat. Ze wilden
ook het volk niet weerbaar maken tegen de Japanse dreiging, uit
angst Indonesië te verliezen. De demagogische leuze van Japan
"Azië voor de Aziaten" werd in het begin door een deel van de
nationalisten tamelijk goed ontvangen. Die leuze maakte grote
indruk op de gekoloniseerde volkeren in het Verre Oosten. Later
veranderde dat, omdat duidelijk werd dat het voor Japan betekende
"Azië voor de Japanners". Maar de invulling van de leus in de
zin van Indonesië voor de Indonesiërs werd natuurlijk
steeds belangrijker.
In 1937 had het lid van de Volksraad, Sutardjo, een
programma ingediend tot het weerbaar maken van Indonesië tegen
de Japanse dreiging. Daarin werd onder andere verzocht om het
oprichten van volksmilities en om een conferentie tussen
gelijkberechtigde vertegenwoordigers van Indonesië en
Nederland over de vergroting van de Indonesische zelfstandigheid.
Weerbaarheid tegen fascistische agressie en de zelfstandigheid van
een volk gaan natuurlijk samen. De Nederlandse regering wees dit
af. De CPN trad in Nederland op om deze eisen te verwezenlijken. De
SDAP was eveneens voorstander van de petitie-Sutardjo.
De Nederlandse regering deed alles om de mensen van de
strijd tegen het fascisme af te houden. Ook de NSB, die in het
toenmalige Nederlands-Indië een grote aanhang had, werd geen
strobreed in de weg gelegd. Mussert werd bij een bezoek zelfs
ontvangen door gouverneur-generaal De Jonge."
De solidariteit met de strijd van de gekoloniseerde volken
is, zo zegt Annie Averink, een rode draad in de hele geschiedenis
van de CPN. "Indië los van Holland" was onze centrale leus. En
daar lag ook het grote verschil met de sociaal-democratie. Ook zij
veroordeelde het koloniale systeem en de uitbuiting. Maar haar
uitgangspunt daarbij was dat de gekoloniseerde volkeren eerst rijp
gemaakt moesten worden voor de onafhankelijkheid. Binnen het
koloniale systeem is die "rijping" absoluut niet mogelijk. Kijk
maar naar de onderwijspolitiek van de kolonisator en de manier
waarop de gezondheidszorg werd georganiseerd. De grote massa's
waren daarvan uitgesloten."
Opstand
Er waren in Nederlands Indië voor de oorlog allerlei
ontwikkelingen die tot gevolg hadden dat de solidariteitsacties met
steeds meer vindingrijkeid moesten worden georganiseerd. In 1926 en
1927 vonden er op Java en Sumatra volksopstanden plaats tegen
armoede, onderdrukking en de vreemde Nederlandse overheersing.
Daarop werd de PKI door de Nederlandse koloniale overheid verboden.
De partij werd op die manier gedwongen ondergronds te gaan werken.
Ondanks de repressie lukte het vakbondsleider en PKI voorman Musso
om in 1935 Java illegaal te bezoeken. Een aantal andere leiders
werd met honderden anderen verbannen naar een concentratiekamp in
Boven-Digul. De CPN zette in een reactie op de repressie een aantal
Indonesiërs op de kandidatenlijst voor de Tweede
Kamerverkiezingen. In 1933 stelde zij onder andere PKI-voorzitter
Sardjono kandidaat en hij werd gekozen.
"Dat was een enorme steun in de rug van de gevangenen. Er
werd groot feest gevierd. In een boek van ene Schoonheyt, die daar
twee jaar als arts werkte, waarin het kamp moest worden
goedgepraat, wordt daar met grote verontwaardiging over geschreven.
Hij beschrijft Sardjono als een "magere, onooglijke, zeer
onsympathiek uitziende gedeporteerde" en verder: "voor deze
nietsontziende opstandeling moesten vanuit Boven-Digoel met de
Nederlandse Communistische Partij allerlei telegrammen worden
gewisseld, die blijkbaar niet konden worden tegengehouden."
Sardjono kreeg geen toestemming en Rustam Effendi werd
communistisch parlementslid. De eerste en enige Indonesiër in
het parlement voor de oorlog."
Leerschool
De bezettingstijd was voor Annie Averink een belangrijke leerschool
voor zie organisatie van de solidariteit met Indonesië. "Als
een partij in de illegaliteit wordt gedreven dan moet je op
allerlei manieren leren werken waar je vooraf niet zou zijn
opgekomen."
Naast de politieke steun werd er vanuit Nederland ook
materiële steun voor de Indonesiërs georganiseerd Daarbij
moest van alle vindingrijkheid die in de bezettingsjaren was
ontwikkeld, gebruik worden gemaakt. Er werden via allerlei wegen
brochures naar Indonesië gebracht. "Om die dingen voor elkaar
te krijgen is het werk van heel veel mensen nodig die dat kunnen en
willen. Alle kleine beetjes maken een grote, dat wordt wel eens
vergeten. In augustus 1948 keerde Musso terug naar Indonesië.
Twee maanden later werd hij hij door rechtse krachten
vermoord."
Musso had bij zijn terugkeer met het centrale comit¢
een resolutie opgesteld, "De Nieuwe Weg", die richting gaf aan de
Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Onder andere die lange
resolutie moest in brochurevorm naar Indonesië worden
gesmokkeld. In die resolutie werd onder meer het nationale
eenheidsfront en de samenwerking van de arbeidersorganisaties met
de boeren besproken. Musso was tot de conclusie gekomen dat die
eenheid verwaarloosd was. Die brochures werden op dundruk gemaakt.
Het was niet eenvoudig om in die tijd aan het papier daarvoor te
komen. De brochures werden aan betrouwbare zeelui meegegeven. Zij
hadden pakjes bij zich die waren geadresseerd aan dienstplichtigen
om de douane te misleiden. Daar zat zeep in, tandpasta en
levensmiddelen. De zeelui brachten die pakketten dan aan adressen
van PKI'ers, of deden dat via militairen."
Goeie blikfabrieken
Het klinkt eenvoudig, maar er ging een enorm werk aan vooraf. "We
hadden goede blikfabrieken," zegt Annie Averink lachend. "Bij een
fabriek van Verblifa werden de blikken gemaakt. In de winkel werden
blikken appelmoes van Hero gekocht, de wikkels eraf geweekt en om
de speciale blikken geplakt. De brochures werden stijf opgerold in
de blikken gedaan. Die werden dan met kleine stukjes lood op het
juiste gewicht gebracht. Daarna werden ze teruggebracht naar de
Verblifa-fabriek waar ze zorgvuldig werden dichtgelast".
"Vrijwillig overwerk in avond-uren. Met de controle van tijd
zou het op die manier niet meer lukken. Het was vlak na de oorlog.
De mensen vroegen niet veel en praatten niet veel. Ze wisten dat
het ergens goed voor was en deden het gewoon. Verder moesten we de
scheepstijdingen goed bijhouden om te weten wanneer sympathiserende
zeelui in het land waren en wanneer ze weer vertrokken."
Ook andere geschriften werden langs speciale wegen naar
Indonesië gezonden. "Er was veel behoefte aan leesvoer voor de
soldaten en Indonesiërs. Dat gebruikten we als dekmantel. Ik
ging naar het Waterlooplein en kocht een paar boeken voor een
duppie." Annie Averink laat zo'n boek zien. Het ziet er volstrekt
onschuldig uit. Na een aantal bladzijden van een betekenisloze
roman beland ik ineens in de brochure "Loon, prijs, winst". "Het
grootste deel van de roman werd eruit gehaald. Die brochure werd
daar dan voor in de plaats ingebonden. Vakwerk, aan het boek is
verder niets te zien."
Kurk erop
Ook werd er geld naar de PKI georganiseerd. Ook daarvoor werden
allerlei vindingrijke manieren ontwikkeld. "Tijdens de bezetting
had je dunne glazen buisjes met allerlei verschillende essences.
Die buisjes maakten we leeg. Dan ging er een stijf opgerold biljet
van honderd gulden in. De kurk er weer op. We maakten dan heel
voorzichtig een tube Prodent van onderen los schoven die glazen
buisjes erin. Daarna maakten we de tube weer dicht. De tandpasta
ging ook in de paketten mee."
Heel belangrijk voor het solidariteitswerk blijft voor Annie
Averink de voorlichting van de eigen leden, de mensen blijven
interesseren voor de gevolgen van de onderdrukking. Het begint
ermee dat je de mensen duidelijk maakt wat er aan de hand is. Toen
was het de strijd voor Indonesië los van Holland, nu is het de
strijd tegen de apartheid. Je moet de mensen voorlichten en de
ervaringen van de strijd verwerken en doorgeven. Want het gaat
uiteindelijk om de politieke strijd."
Na de bevrijding van Indonesië van de Japanse bezetting
moest ook de PKI zich weer helemaal opnieuw organiseren. "West-Java
was weer vrij snel door de Nederlanders bezet. Daar was
bijvoorbeeld het vieren van de Eerste Mei verboden. Wie desondanks
de Eerste Mei vierde kon rekenen op één jaar
gevangenisstraf en duizend gulden boete; lust je nog,
peultjes?"
Terwijl de Nederlandse regering op een confrontatie met de
republiek aankoerste, werd ook het verzet tegen de koloniale
politiek georganiseerd. Om dienstplichtigen naar Indonesië te
kunnen sturen werd er een grondwetswijziging door de Kamer gejaagd.
De CPN stemde als enige tegen. "Er werd een algemene staking
georganiseerd in Amsterdam, die deed denken aan de kracht van de
Februari-staking. Er werd ook hard tegen opgetreden. Bij een
demonstratie die vooraf ging aan die staking in 1946, werd er met
scherp geschoten. Er viel een dode en verscheidene gewonden. De CPN
gaf een manifest uit "De maat is vol", waarin onder andere het
aftreden van Beel werd geëist. Het hele dagelijkse bestuur is
daarop op het politiebureau verhoord.
Het NVV nam toen ondanks eerdere uitspraken niet deel aan de
algemene staking. Maar zijn optreden samen met de EVC in het Wereld
Vakverbond heeft wel tot de internationale isolering van Nederland
bijgedragen."