De enige politicus van formaat
die in 1965 openlijk aan de massaslachtingen in Jakarta refereerde was
de toenmalige senator Robert Kennedy. In het boek The Communist
Collapse in Indonesia van Arnold Brackman (pagina 122), wordt hier
melding van gemaakt. R.F.K. zei die dagen letterlijk, "Het
afslachten van duizenden in Indonesië is als het opsluiten van
intellectuelen in Sovjet-Rusland of als rassendiscriminatie in New
York of Kaapstad. Het zijn van elkaar verschillende kwaadaardigheden,
maar behoren tot het werk van mensenhanden, die echter vragen om door
verschillende kwaliteiten van ons geweten en ons afgrijzen beoordeeld
te worden". Robert Kennedy deed zijn mond open, omdat hij als
minister van Justitie de Washingtonse manipulaties rond Cuba en
Vietnam van nabij had gevolgd resulterende in de moord op J.F.K. Hij
had president Sukarno meerdere malen uitstekend leren kennen. Hij
wist dus wat er werkelijk aan de hand was in Indonesië. Hij had
beter zijn mond kunnen houden, want het zou niet lang duren voor hij
zelf zou worden afgeschoten.
In 1966 ben ik ambassadeur Marshall
Green, in diens werkkamer op de ambassade gaan opzoeken. In 1958 had
hij me op zijn ministerie in Washington verwelkomd met de woorden, "U
weet zoveel meer over Indonesië dan ik". Ik herinnerde hem
hieraan en parafraseerde, "Nu weet u zoveel meer over wat er hier is
gebeurd dan ik". Green was gewoon de door Washington uitgezonden
Seyss Inquart. Ik vroeg hem hoe het kwam, dat andere ambassadeurs nog
altijd op het paleis kwamen en waarom hij als enige er nooit meer zijn
gezicht vertoonde. Met andere woorden was het zijn kwade geweten dat
hem weg deed blijven? "Helemaal niet", aldus Green, "ik krijg geen
uitnodiging meer". Ik besprak de kwestie met de president. Moest hij
ook Green niet eens op het ontbijt nodigen? Bungkarno wilde er over
nadenken.
Intussen wist Marshall Green exact wat er met Sukarno
stond te gebeuren. Hij zou in nauwe samenwerking tussen de CIA en de
Suharto-kliek voorzichtig worden weggemasseerd, omdat ook in
Washington terdege werd beseft, dat de president op een brede
populariteit kon bogen. Een paar dagen later stapten de president,
mevrouw Hartini Sukarno, Emile van Konijnenburg, vice-president van de
KLM en ik in een Cadillac om van de bungalow voor een filmvoorstelling
naar het paleis in Bogor te rijden. Onverwachts zei de president,
"Wim, wat bedoelde Marshall Green toen hij tegen jou zei dat er een
greintje waarheid in mijn beschuldigingen school dat de CIA hier bezig
was geweest?" "Hij gaf toe dat u reden had de CIA te verdenken",
antwoordde ik. "Wat heeft het dan nog voor zin dat ik hem nog eens
zou ontmoeten?" Ik gaf hem gelijk. Green zou zich gedeisd houden tot
Suharto zijn staatsgreep zou hebben voltooid.
De Amerikaanse
ambassade in Jakarta is in 1995, gelegen aan de overzijde van het
Merdeka-paleis en de persoonlijke kantoren van Suharto, een CIA en een
Pentagon-complex van een gênante omvang. Vrijwel iedere
taxi-chauffeur met wie ik er langs reed, maakte er een schimpende
opmerking over. Wat wel eens vergeten wordt is dat het Indonesische
volk gedurende vijftig jaar van onafhankelijkheid van een door het
buitenland bezette en geregeerde massa tot een zelfstandig en
volwassen volk is uitgegroeid. Indonesiërs zijn in 1995 heel wat
moeilijker een oor aan te naaien dan in 1965.
Een journalist zei
me bijvoorbeeld onlangs in Jakarta, "Suharto is onze nieuwe H. J.
van Mook, jullie fameuze luitenant-generaal". Ik moest nadenken wat
hij bedoelde. "Voor 1945 verdeelden buitenlanders met blanke
gezichten onze rijkdom", vervolgde hij. "Vandaag de dag hebben ze een
handlanger met een bruin gezicht gevonden om hetzelfde werk te doen.
Nu zijn het binnenlanders die onze rijkdommen uitverkopen aan de
imperialisten van weleer, met dit verschil, dat er hier meer dan
voorheen aan de strijkstok blijft hangen. Alleen een heel kleine
militaire elite en hun handlangers in Jakarta profiteren hiervan. Ga
het land maar in. De algemene toestand onder het volk is vrijwel
hetzelfde gebleven. De armen blijven arm en de nieuw-rijken worden
steeds rijker. Een kind kan op de vingers aftellen dat een
sociaal-psychologische explosie op den duur onafwendbaar zal
zijn".
Ik trof in 1966 een in zijn lot berustende Sukarno aan.
Hij hield de eer aan zichzelf. Suharto verzocht hem herhaaldelijk of
hij de PKI van de moord op de generaals wilde beschuldigen, dan zou
hij staatshoofd kunnen blijven. Vanuit Suharto's hoofdkwartier werd
mij zelfs door kolonel Sutikno Lukitodisastro gevraagd of ik niet mee
wilde helpen de president te bewerken, dat hij de communisten zou
veroordelen. De details heb ik in Den Vaderland Getrouwe
beschreven (pagina's 316-319). Het was Sukarno's eer te na om het
gemene spel met Suharto en de CIA tegen de communisten in zijn land
mee te spelen.
Op 11 maart 1966 had de president de zogenaamde
Super Semar getekend, een opdracht aan generaal Suharto op de
orde in het land toe te zien. Ook werd in een clausule vastgelegd dat
deze generaal op de veiligheid van het staatshoofd en diens familie
zou toezien. Suharto gaf een eigen en een geheel andere interpretatie
aan dit staatsstuk. Voor hem betekende het dat hij reeds de facto
president van Indonesië was geworden. Zoals Lyndon Johnson
vrijwel onmiddellijk na de dood van J.F.K. een decreet tekende welke
de oorlog in Vietnam tot ongekende hoogten zou opvoeren, zo tekende
Suharto vrijwel onmiddellijk na 11 maart 1966 een decreet dat de PKI
buiten de wet stelde. Dat was immers de oorspronkelijke CIA-opdracht
van zijn coup geweest. Maar de communisten waren onschuldig. Ook al
was Sukarno zelf een nationalist, hij beschouwde PKI'ers als
Indonesiërs met dezelfde rechten als nationalisten.
Sukarno
droeg uiteindelijk de macht in 1967 formeel over. Suharto liet hem
onmiddellijk vrijwel totaal isoleren. Soms werden ook mevrouw Hartini
Sukarno en de kinderen maandenlang geweerd. Dan heette het dat de
oud-president door de militairen werd verhoord. Dit gebeurde
overigens op totaal respectloze onbeschofte wijze. De uitgever
Masagung kwam eens als loopjongen voor Suharto in Parijs bij Dewi
Sukarno aanzetten. Hij had bandopnamen bij zich van de verhoren door
Suharto's officieren van de oud-president. Ik was aanwezig en
luisterde mee. De ondervragingen werden als pure kwellingen
georganiseerd. Suharto is niet opgehouden Sukarno tot het einde van
zijn dagen te blijven tormenteren.
Aanvankelijk vestigde Sukarno
zich in een bescheiden villa in Batutulis nabij Bogor, die hij voor
zijn oude dag had laten bouwen. Daar wilde hij later ook begraven
worden. Maar Suharto zou bepalen, dat hij zo ver mogelijk van de
hoofdstad in Blitar, Oost-Java, ter aarde werd besteld. De
coup-generaal kon geen bedevaartplaats voor zijn vroegere
opperbevelhebber in de buurt van het centrum des lands gebruiken. Het
huis in Batutulis lag op een heuvel langs een rivier met een
schitterend uitzicht op de bergen van West-Java. Maar het was er
dikwijls winderig en koud. De oud-president beschikte nog maar over n
huishoudelijke hulp. Zijn gezondheid verdroeg het klimaat niet.
Onlangs heb ik met zijn dochter Sukmawati Sukarnoputri nog eens door
dit huis gewandeld.
Suharto nam de villa in beslag. Sukarno zou
het huis middels corrupte fondsen in bezit hebben gekregen. Je moet
als grootste zwendelaar in de geschiedenis van Azië het lef maar
hebben om een dergelijk etiket op oud-president Sukarno te plakken.
Suharto zelf kreeg zijn villa aan Jalan Tjendana van een Chinese
zakenman "cadeau".
Een met Suharto bevriende generaal heeft
geprobeerd de president duidelijk te maken dat hij vroeg of laat tegen
de lamp zou lopen en of het niet een beetje minder kon. "Toon mij de
wet", antwoordde Suharto, "welke mij verbiedt mijn kinderen rijk te
maken". Prompt werd de generaal in kwestie ontslagen.
Tutut Suharto (45), de oudste dochter, staat aan het hoofd van het
conglomeraat Citra Lamtoro Gung met 62 dochterondernemingen.
Sigit (42), de oudste zoon, beheert het conglomeraat Arseto
groep met 30 dochters. Bambang (41) bezit het conglomeraat
Bimantara groep met niet minder dan 134 dochtermaatschappijen.
Siti Suharto (36) heeft het conglomeraat Datam met 35
dochtermaatschappijen in beheer. Tommy (32) bezit de
Humpuss-groep met 69 dochterbedrijven en is de meest agressieve
zoon van de president, die bovendien de meeste ongelukken maakt. Siti
(29) is een uitzondering. Zij zou slechts 3 bedrijven bezitten. Arie
(21), de jongste zoon, nog niet zo lang op het mafia-pad, bezit het
conglomeraat Arha, met elf dochters. "All in the family" schreef
Intermediair op 23 december 1994 over deze Suharto-dynastie aan
de hand van een overzicht van Hans Vriens.
Dit zijn geen beschouwingen, zoals McNamara maakt, dertig jaar nadien.
Dit zijn
wijsheden over het Indonesië van nu, waarvan men moet aannemen
dat zij de schrijftafels van Beatrix en Kok, voor het besluit tot een
staatsbezoek aan Indonesië is gevallen, heeft bereikt.
Ik hoor de koningin aan Tommy Suharto al vragen, "Hoe gaat het met uw
Humpuss-groep? Ik begrijp dat uw kruidnagelbusiness in
de soep draaide en dat uw vader bijsprong door de Centrale Bank te
dwingen enkele honderden miljoenen bij te passen om uw financi le deb
cle te repareren". Claus probeert de majesteit, die haar
staatsbezoeken immers grondig voorbereidt, van onderwerp te doen
veranderen. Maar Beatrix vervolgt: "Gaat het nu beter met uw
kruidnagels?" Tommy bloost en vertelt dat hij de laatste tijd vaker in
Florida op racewagencircuits is te zien en of zij Willem-Alexander
niet wil vragen eens met hem mee te gaan.
Dertig, twintig, misschien zelfs tien jaar geleden trapte de
Indonesische massa nog vrij gemakkelijk in de leugens van het
militaire regime. In 1995 zijn de schellen van de ogen gevallen en is
een overgrote meerderheid van Indonesië zich bewust geworden dat
zij ten prooi is gevallen aan een corrupte kliek van door en door
kwaadaardige uitzuigers en bedriegers. Het lijkt dienstig dat
Beatrix, Kok en Van Mierlo de situatie vooraf, en niet achteraf nog
eens realistisch onder ogen zien.