Mijn kennis van Indonesië gaat terug naar 1956.
Ik was drie jaar journalist en schreef voor De Telegraaf vanuit
Rome. Sukarno arriveerde op zijn eerste Europese reis in Italië.
Keer op keer had hij te kennen gegeven eerst naar Den Haag te willen
reizen. Maar een land, dat kans ziet in 1995 nog op zijn kop te staan
over het feit dat een bejaarde deserteur vaderlandse bodem heeft
betreden, was er in 1956 uiteraard niet aan toe een vorstelijk onthaal
voor de eerste president van Indonesië te organiseren. Sukarno
zou trouwens nooit ons land aandoen. Dat mocht niet van de Haagse
hoge heren.
Ongehinderd door kennis van zaken had ook ik in 1956
een uiterst negatief beeld van Sukarno. Maar gezien de die dagen
toenemende spanningen tussen Jakarta en Den Haag over de kwestie
Nieuw-Guinea leek het een normale journalistieke procedure hem in Rome
te interviewen. Dit werd mij per telegram door hoofdredacteur J.J.F.
Stokvis van De Telegraaf verboden. Ik sprak Sukarno natuurlijk
toch en schreef er één pagina over in Elseviers.
Deze ongehoorzame daad leverde me een permanente oorlog op met mijn
voormalige werkgever. Ook in 1995 mag mijn naam niet, of slechts in
ongunstige zin, in De Telegraaf worden vermeld. Dit is een
reflectie van het nationale volkskarakter, zoals De Telegraaf
ook het meest gelezen ochtendblad is.
De les van Italië in 1956 was dat ik me realiseerde pas een
standpunt over de Indonesische problematiek te kunnen innemen wanneer
ik de nieuwe realiteiten nauwkeurig zou hebben bestudeerd. Ik reisde
nog in 1956 zelf naar Jakarta. Sukarno was voor mij een ander mens
geworden. Wat in Holland over de man werd gezegd en geschreven had
niets met de werkelijkheid te maken. Na grondige oriëntatie ter
plekke berichtte ik in 1957 aan mijn kranten, de NRC en het
Algemeen Handelsblad dat het door Willem Drees en Joseph Luns
gevoerde beleid ten aanzien van de Papoea's op een fiasco zou
uitlopen. Dit was geen wijsheid achteraf, waar hare majesteit in haar
kerstrede in 1994 over sprak. Dit was een realistische analyse
vooraf, zegge en schrijve vijf jaar vóór
Luns met hangende pootjes de Papoea's aan Indonesië zou
afdragen. "Je hebt gelijk", antwoordde mij Hein Roethof, toenmalig
redacteur bij de NRC, "maar je artikel kan niet in de krant
want men is er hier nog niet rijp voor." Het was fout om voor
de censuur van de NRC te capituleren. Het was goed om
van mijn recht als burger van Nederland gebruik te maken om een adres
aan de Staten Generaal te zenden - dat door professor Pieter Drost
werd geschreven - en aandacht te vragen, buiten de pers om, voor wat
bezig was fout te gaan.
Landverraad brulde De
Telegraaf. Minister Luns zond de inlichtingendiensten naar mijn
kranten en liet er op wijzen dat ik staatsgevaarlijk zou zijn. En
omdat vrijwel alle hoofdredacteuren in dit land als puntje bij paaltje
komt in de zakken van Den Haag zitten, werd ik in Jakarta per telegram
op staande voet ontslagen. Zo trok ik reeds in 1957 de rode kaart in
Den Haag om de simpele reden, dat ik de waarheid wilde
rapporteren.
Anderhalve eeuw geleden vestigde Multatuli in de
Max Havelaar de aandacht op dit verschijnsel. Hij schreef dat
de assistent-residenten op Java aan de controleurs meldden dat alles
naar wens ging. De residenten berichtten dit aan de
gouverneur-generaal en de koloniale regering in Batavia zond liefst
geen onaangename tijdingen naar het moederland. Uit al deze
mededelingen vooraf werd "een gekunsteld optimismus" geboren in strijd
niet alléén met de waarheid maar ook in strijd met de mening
van de ambtenaren in Indië zelf. "Kortom", aldus Multatuli, "de
officiële berichten van de beambten aan het Gouvernement, en dus
ook de daarop gegronde rapporten aan de regering in het moederland
zijn voor het grootste en belangrijkste deel onwaar".
Eigenlijk is er in 1995 weinig nieuws onder de zon. Ondanks dat
men bezig is van de wereld Marshall McLuhan's global village te
maken via communicatiesatellieten, Internet en CNN weet het brede
publiek nagenoeg even weinig over de werkelijkheid van Indonesië
als in de dagen van Multatuli. Onlangs tijdens een lezing voor
Lions in Heerlen zei een jonge chirurg, "Ik ben maar een
provinciaaltje: mij interesseert wat in Jakarta gebeurt geen hol".
Wanneer dan ook nog de rapporten, die de schrijftafels van Beatrix en
Wim Kok bereiken even onwaar zijn als in de dagen van de
koffieveilingen der Nederlandse Handelsmaatschappij, valt vrijwel
onbesproken het foute besluit om hare majesteit naar Jakarta af te
vaardigen. Toen ik in april 1995 de ambassadeur in Jakarta, Paul
Brouwer, die de koningin straks gaat begeleiden, vroeg of hij van
mening was dat de NRC de toestand in Indonesië weergaf
zoals deze was, antwoordde hij spontaan "absoluut niet". Zoals ik in
1956 voor dit meest gezaghebbende avondblad vergeefs uit de
Indonesische hoofdstad de feiten probeerde door te seinen, zo kan de
huidige correspondent zich niet permitteren zulks te doen, omdat hem
in dat geval binnen de kortste keren door het Suharto-regime de deur
zou worden gewezen. Het resultaat van deze deplorabele situatie is
intussen wèl dat, net zoals in de dagen van Multatuli, aan de
hand van "een gekunsteld optimismus" het besluit is genomen het
koninklijk paar op Suharto los te laten.