Er zijn veel Indonesiërs te zien in deze film en dat kon omdat
zich op dat moment in Australië enkele honderden Indonesiërs
bevonden, die zich al vanaf de jaren twintig/dertig tegen het Nederlandse
kolonialisme hadden verzet. Zij waren oud-gevangenen uit het verbanningskamp
Boven-Digul in het oerwoud van Nieuw-Guinea. Dat kamp was in 1927 door
de Nederlands-Indische regering aangelegd en per administratieve maatregel
werden revolutionaire en nationalistisch Indonesiërs daar toen heen
verbannen.
Toen de Japanners in 1942 steeds verder oprukten in Nederlands-Indië
en Nieuw-Guinea naderden, werden de Indonesische gevangenen per boot overgebracht
naar Australië. De Nederlands-Indische regering had daar haar zetel
gevestigd en zij wilde, dat deze Indonesiërs in gevangenkampen zouden
worden opgesloten.
Dat ging niet door, omdat de Australische vakbonden
zich daartegen verzetten.
Bovendien waren er nog honderden andere Indonesiërs, zoals
schepelingen van de KPM; zij werden, zoals ook in Nederlands-Indië
het geval, nog steeds gediscrimineerd.
Er wordt wel eens gevraagd waarom Joris Ivens was ingegaan op
het verzoek van de Nederlands Indische regering naar Australië te komen
en films over Indonesië te gaan maken. Het was bestuurs ambtenaar
Van der Plas, die contact met hem opnam. De filmer woonde toen in de
Verenigde Staten.
In 1944 werd Ivens door min. van koloniën Van Mook en bestuursambtenaar
Van der Plas gecontracteerd als "film commissioner", toen in de oorlog
tegen Japan een ommekeer was gekomen en voor Nederland terugkeer naar Indonesië
in zicht begon te komen.
Tijdens die oorlog was de staatkundige verhouding tot Indonesië onder meer 7 december 1942 in Londen ter sprake gebracht in een rede van koningin Wilhelmina. Zij beloofde toen, dat een conferentie na de oorlog over de "staatkundige status" zou moeten beslissen en bood - zeer omfloerst - meer zeggenschap voor Indonesië . Zij verklaarde daarbij, dat er dan "voor verschil in ras en landaard" geen plaats meer zou zijn.
In het bezette Nederland hield ook de illegaliteit zich tegen het eind van de oorlog met Indonesië bezig. Van die kant kwam een verklaring, dat na de overwinning op Hitler-Duitsland de oorlog voor de nederlaag van Japan zou moeten worden voortgezet. In die verklaring klonk door dat de vooroorlogse verhoudingen niet konden terugkeren en lag een suggestie tot de vorming van een Gemenebest. In ieder geval werd de steun uitgesproken voor een militaire deelname aan de oorlog tegen Japan, met van de kant van de illegale CPN de inbrengen dat alleen vrijwilligers zouden kunnen uitgezonden.
1k geef deze schets om duidelijk te maken, waarom een filmer met communistische sympathieën als Ivens de opdracht voor documentaire films kon aanvaarden.
De situatie bij de nederlaag van Japan veranderde drastisch door de
proclamatie van de Indonesische Republiek op 17 augustus 1945. De Nederlandse
regering erkende de Republiek niet en wilde aanvankelijk zelf helemaal
niet met de vertegenwoordigers van deze Republiek praten.
In ons land was vanaf dat moment bijvoorbeeld de CPN direct tegen elke
troepenzending naar Indonesië. Ook een vakcentrale als het NVV verklaarde
zich toen (aanvankelijk) klip en klaar tegen militaire oplossing. In Australië
kon de Republiek in linkse kring en vooral ook bij de vakonden op steun
rekenen.
Voor zover mij bekend is het werk van Ivens voor de Nederlandsch Indische regering niet echt op gang gekomen. Hij zou de films vooral in Indonesië moeten maken, maar op 20 November 1945 - twee maanden na de Indonesische proclamatie - verbrak hij zijn contract. Hij zei tegenover persbureau Reuter: "Ik kan mij niet verenigen met de politiek van de Nederlandse regering in Indonesië. Als Nederlands staatsburger ben ik van mening dat de grote democratische traditie van ons volk ook moet worden toegepast in het Oosten. Ivens en zijn medewerkers, onder wie Indonesiërs, verklaarden in de Sydney Morning Herald: "We menen dat onze voornaamste taak als documentaire filmers is bij te dragen aan de ontwikkeling van de democratische principes, waarvoor onze volkeren hebben gevochten. We zien, dat deze principes op dit moment door de Nederlandse regering niet worden toegepast."
Ivens ging nu aan de slag nu met een andere film. In Australië kwam een beweging op gang voor de Republiek en tegen het gevaar van een oorlog. Havenarbeiders spraken over cen boycot en Ivens zag daarin kennelijk een thema, waarin hij Indonesiërs een belangrijke rol liet spelen, zoals in de film is te zien.
De Nederlandse regering was zeer verbolgen over de film en heeft geprobeerd vertoning te voorkomen. De Nederlandse gezant in Melbourne, Van Aerssen Beijeren van Voskol - een naam van buitenlandse zaken hé , - zond op 9 augustus 1946, een codetelegram aan minister Van Boetzelaer van Oosterhout. Ik zal de tekst hier vermelden, omdat ze in een notedop de houding van de Nederlandse autoriteiten weergeeft:
"Mondeling deelde ik de Australische Regeering, zonder nog formeel te
protesteeren, mede dat ik ernstig bezwaar had tegen het voor vertoning
in Australië vrijgeven van de fel anti-Nederlandse propagandafilm
die in Sydney is opgenomen en tot titel heeft "Indonesia Calling" waarin
de boycot door de watersiders verheerlijkt wordt. Vandaag zou de vertoning
van de film beginnen en een week duren.
De Commonwealth filmcensor heeft de film verboden voor export, maar
toegestaan voor binnenlands gebruik. De uiteindelijke decisie schijnt te
berusten bij de Customs Minister. Hierover zijn in het parlement vragen
gesteld die de Regeering zoals gebruikelijk is, ontwijkend heeft beantwoord."
Op 9 augustus 1946 werd de film in Sydney inderdaad voor het eerst getoond.
Zij veroorzaakte ook in Australië wel discussies, maar werd niet verboden
en uiteindelijk bleef ook vertoning niet tot Australië beperkt.
De VN kozen de film zelfs uit voor vertoning en zij werd korte tijd
later, tegenover een internationaal publiek, in Praag gedraaid. (In Praag
waren progressieve Indonesiërs bij het JUS -de internationale van
studenten).
De film heeft geen betrekking op een concreet voorval, maar is als documentaire gespeeld. Er waren wel acties in Australische havens geweest en er waren discussies over een verregaande boycot van Nederlandse schepen. Overigens ook reden voor grote bezorgdheid en woede bij de Nederlandse regering, waaraan zij ook regelmatig bij de Australische autoriteiten uiting gaf.
Interessant is, dat na de Tweede militaire actie, in december 1948, wereldwijd boycotacties plaats vonden. Zo konden Nederlandse vliegtuigen geen tussenlandingen meer maken in India en moest via een Brits eiland worden gevlogen. Ook konden geen schepen meer door het Suezkanaal en de schepen moesten als vanouds om de Kaap.
Vandaag in de Blauwe Aanslag wordt de film dus weer gedraaid. Ook bijvoorbeeld in 1983 werd tijdens een herdenking
van de Muiterij op de Zeven Provincien de film gedraaid. Indonesia Calling is een begrip geworden.
De film is te huur bij het Nederlands Filmmuseum.