Na de jaren van minister Pronk op ontwikkelingssamenwerking kwamen de betrekkingen tussen Indonesië en Nederland in wat geruislozer tijdperk terecht. De bewindslieden in de volgende periode gaven de voorkeur aan de methode van de stille diplomatie om mensenrechtenschendingen aan de orde te stellen. De minder actieve Nederlandse houding ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië was moeilijk te rijmen met de in deze periode door de regering gelanceerde nota 'De Rechten van de Mens in het Buitenlands Beleid', waarin het beginsel geformuleerd was de mensenrechten als wezenlijk bestanddeel van het buitenlands beleid te beschouwen.

Er was een moment in deze periode dat de regering de mensenrechten in de relatie met Indonesië wel ter sprake bracht. In 1984 deed Minister Van den Broek dit toen hij in januari een bezoek aan Indonesië bracht. Hij kaartte de Petrusmoorden aan bij de bevelhebber van de krijgsmacht Murdani. Van den Broek uitte de 'bezorgdheid' van de Nederlandse regering. De bevelhebbers in Indonesië wezen hem erop dat de mysterieuze Petrusmoorden het gevolg waren van strijd tussen bendes. Van den Broek nam met deze uitleg genoegen en vroeg geen toezegging omtrent beëindiging van de moorden.

Bij andere gelegenheden opereerde de Nederlandse regering weer terughoudender bij mensenrechtenschendingen. Toen in de tweede helft van de jaren tachtig politieke gevangenen werden geexecuteerd, sommigen na meer dan twintig jaar gevangenschap, werden de executies alleen op informeel niveau aan de orde gesteld.


terug