In september 1990 bracht de regering een notitie 'Mensenrechten in Indonesië' uit. Uit de notitie sprak opnieuw het behoudende karakter van het Nederlandse mensenrechtenbeleid inzake Indonesië. Ondanks andersluidende berichten van gerenomeerde mensenrechtenorganisaties als Asia Watch, was de regering ervan overtuigd dat er in Indonesië geen sprake was van systematische schendingen van de mensenrechten.
In het jaar 1991 bracht Pronk meerdere bezoeken aan Indonesië. Tijdens zijn reis als voorzitter van de IGGI bracht hij voorzichtig het thema mensenrechten ter sprake in de gesprekken met Indonesische machthebbers. Pronk ontmoette tijdens een van zijn reizen vertegenwoordigers van een aantal niet-gouvernementele organisaties op het terrein van milieu en mensenrechten. Bij de opening van de IGGI-conferentie van dat jaar pleitte Pronk voor economische en politieke deregulering. Tijdens de officieele besprekingen stonden de mensenrechten echter niet op de agenda. Alatas liet reporters van de Jakarta Post weten dat tijdens de zitting over geen enkel mensenrechten-issue met Pronk van gedachten gewisseld was.
Naast Pronk bracht ook een parlementaire delegatie in 1991 een bezoek aan Indonesië. De kamerleden spraken met Minister van Buitenlandse Zaken Alatas over ontwikkelingen in de mensenrechtensituatie in Indonesië. Alatas liet weten erover te willen praten mits wederzijds respect voor cultuur- historische achtergronden in acht genomen zou worden. De delegatie dacht het ontstaan van een bewustwordingsproces over mensenrechten te bespeuren. Uit het bezoek aan het dissidente Instituut voor Rechtsbijstand (LBH) leerden de kamerleden echter dat er in Indonesië geen echte democratische wind waaide. Uit het reisverslag van de delegatie werd niet duidelijk of zij directe kritiek had geuit aan het adres van de Indonesische autoriteiten. Het lukte haar tenslotte toch de woede van de machthebbers op de hals te jagen door in de beruchte Cipinang-gevangenis enkele politieke gevangenen te spreken.