Hoewel de zet van Suharto politiek hard aangekomen was, werd al snel duidelijk dat Indonesië alle banden met Nederland, behalve dan die van ontwikkelingssamenwerking, in stand wilde houden. Ook Nederland bleek zich daarvoor in te willen zetten. Contacten en bezoeken over en weer tussen de twee landen volgden elkaar in rap tempo op.

In de marge van de UNCED-conferentie van de VN, ontmoetten Premier Lubbers en Suharto elkaar. Eind april 1992 reisde staats-secretaris Van Rooy naar Indonesië af met een handelsdelegatie, in juli ging Van den Broek er naartoe, terwijl Ritzen in september dat jaar het land bezocht. De Indonesische bewindslieden Habibie (Onderzoek en Technologie) en Hassan (onderwijs) kwamen naar Nederland. De economische banden werden aangehaald en samenwerkinsovereenkomsten op het terrein van universiteiten en technologie getekend.

Met het aankaarten van mensenrechtenschendingen vlotte het minder. Of tijdens de uiteenlopende contacten tussen Nederland en Indonesië de mensenrechten ter sprake kwamen, bleef erg onduidelijk. Wel bleek Van den Broek tijdens zijn bezoek in juli 1992 Suharto gevraagd te hebben begrip op te brengen voor de Nederlandse 'oprechte bezorgdheid' over de mensenrechtensituatie. Ook had de Nederlandse bewindsman een naar eigen zeggen 'openhartig' gesprek gevoerd met Minister Sudomo van Veiligheidszaken over de kwestie Oost-Timor, waarin hij het opvallende verschil in strafmaat voor de Indonesische militairen en de demonstranten van Dili aan de orde stelde. Op dat moment, met het bloedbad van Dili nog vers in het geheugen, stelde de Kamer dat de minister te weinig aandacht had gehad voor de mensenrechtensituatie tijdens zijn bezoek. In de volgende maanden hield de Kamer zich op dit terrein erg rustig. Toen vice-premier Kok en staatssecretaris van Rooy Indonesië in het najaar van 1993 bezochten teneinde de economische betrekkingen verder aan te halen, werd de mensenrechtensituatie tijdens de bezoeken openlijk niet besproken. De Tweede Kamer stelde daaromtrent ook geen vragen aan de bewindslieden.

In de zomer van 1993 achtte de Kamer de mensenrechtensituatie weer zodanig verbeterd dat het bezoek van fractievoorzitters aan Indonesië, dat was afgelast na het bloedbad van Dili, spoedig doorgang zou kunnen vinden. In verband met dit in januari 1994 geplande bezoek en de, door de Kamer gesignaleerde, nieuwe ontwikkelingen werd de Minister van Buitenlandse Zaken dit najaar gevraagd een nieuwe notitie te schrijven over de mensenrechten in Indonesië. Als een van de positieve ontwikkelingen in Indonesië noemde de Kamer de instelling van een nationale mensenrechtencommissie. De Kamer sloot de ogen voor de berichten van mensenrechtenactivisten in Indonesië, die deze mensenrechtencommissie als een wasse neus beschouwen. Deze houding doet vrezen dat de notitie, net als die uit 1990, een te positief beeld zal schetsen van de mensenrechtensituatie in Indonesië.

Zoals uit bovenstaande blijkt heeft de relatie tussen Nederland en Indonesië uiteindelijk niet erg geleden onder de stopzetting van de hulp door Suharto. In de zomer van 1993 werd door verschillende Indonesische kopstukken dan ook gespeculeerd over een staatsbezoek van Koningin Beatrix aan Indonesië. De scheidend ambassadeur van Indonesië in Nederland, Tjokroamidjojo, en Minister van Toerisme, Telecommunicatie en Posterijen, Av, benadrukten dat een dergelijk bezoek de betrekkingen nog verder zou verbeteren. Ondanks de openlijk kritiekloze houding van Nederland ten aanzien van de mensenrechten in Indonesië, liet de Rijksvoorlichtingsdienst echter in augustus weten dat een staatsbezoek nog niet in de planning lag daar Indonesië het niet zo nauw neemt met de mensenrechten.


terug