Ik was destijds voorzitter van de Bond van Europees Marinepersoneel en we organiseerden onmiddellijk een protestvergadering waar een laaiende stemming heerste. We stuurden een telegram op poten aan de regering en zetten er o.a. in, dat het bestuur geen verantwoording op zich nam voor daden van het marinepersoneel, die tegen de krijgstucht ingingen. Waar de regering waarschijnlijk nog meer van schrok, was het besluit om contact te zoeken met de Bond van Inlands Marinepersoneel, een besluit dat dwars tegen de kastegeest van de blanke kolonialen in ging. De actie had succes, de volgende dag kregen wij bericht dat de salariskorting niet doorging.
De marineleiding had de schrik beet. Onmiddellijk werden een aantal schepen bemand. Het doel was duidelijk: op zee heerst een strengere tucht dan aan de wal, en op zo'n manier scheidde men de ,,raddraaiers" af. Ikzelf kreeg opdracht mij in te schepen op de ,,Zeven Provinciën", die op een doelloze reis van twee maanden rond Sumatra gestuurd werd. Het werd een reis, die zowel ons als de Marineleiding nog lang zal heugen. De stemming aan boord was niet bepaald best en het smerige eten had daar voor een niet gering deel schuld aan. Een deel van de proviand bestond uit z.g. oorlogsvoorraad, die 15 jaar lang werd opgeborgen om dan vervangen te worden door verse waar. Dus hakten we 15 jaar oude stokvis uit blik en aten we capucijners van ongeveer dezelfde jaargang. 's Maandags zette de kok deze knikkers met enkele handen soda op en liet ze dan doorkoken tot donderdag, zonder dat dit enige invloed had op de hardheid. ,,Juliana-aardappels", noemden we ze. Het regende klachten bij de commandant, die ze echter retourneerde met de opmerking dat ,,ze inderdaad niet zo vers waren, maar niet ongeschikt voor consumptie". Toen de bemanning weigerde een vriendschappelijk partijtje voetbal te spelen tegen een elftal uit Sibolga (,,met een lege maag kunnen wij niet voetballen") werd het eenvoudig tot dienst verklaard, en wie niet mee deed in de provoost gesmeten.
Toen kwam het bericht binnen, dat de salariskorting tóch
doorging, al was het ,,slechts" 7 en geen 10%. De jongens waren
hels over deze smerige behandeling, en via de seinkamer hoorden we
van diverse acties op de vloot. In Soerabaja hadden de marinemensen
een protestvergadering willen houden en toen deze niet toegestaan
werd, en bloc dienst geweigerd. Tientallen jongens waren
opgesloten. Tot onze verwondering werd een protestvergadering op de
,,Zeven Provinciën" wel toegestaan, totdat de aap uit de mouw
kwam: ,,mits er niet gesproken zou worden over de
salariskorting".
Onze ijverige afdelingssecretaris, die een telegram verstuurde
,,Leven met U mee. Steunen Uw actie", verdween prompt 14 dagen
in de provoost. De stemming steeg tot kookhitte.
Op de rede van Oleh-Leh barstte de bom.
Om de gemoederen tot bedaren te brengen, deelde de commandant mee dat het garnizoen van Oleh-Leh ,,spontaan" f500,- bij elkaar had gebracht om een feest te organiseren,waar - o zaligheid - gedanst zou kunnen worden met blanke dames. Het bericht werd met het nodige wantrouwen bekeken, want als er ergens een controverse bestaat, dan is het wel tussen Janmaat en koloniaal soldaat. We begrepen best, dat dit feest als een bliksemafleider dienst moest doen. Weinig Europeanen aan boord maakten dan ook gebruik van de invitatie. Voor het Indonesische personeel gold de uitnodiging uberhaupt niet...
IN de nacht van de 3e februari namen de Indonesische schepelingen
het besluit, de leiding van de ,,Zeven Provinciën" in handen
te nemen en op te stomen naar Soerabaja om hun gevangen kameraden
te bevrijden, De Europese schepelingen werden niet in vertrouwen
genomen. Zij vermoedden zelfs niets, Op de ochtend van de 4e
februari had- de afdelingsvoorzitter van de Inlandse Marinebond,
Hendrik, wel tegen me gezegd: ,,Vanavond varen we naar Soerabaja",
maar ik had het als een grapje opgevat, zo secuur was de actie
voorbereid, Wie er wel lucht van gekregen had, was de
afdelingsvoorzitter van de Europese Marinebond. Met zijn
reformistisch hazenhart sloop hij stiekem van boord en bleef de
hele dag met zijn wetenschap ondergedoken. Op de 4e februari had ik
sloependienst (Oleh-Leh heeft geen haven en de ,,Zeven
Provinciën" lag een kilometer of 1½ uit de kust).
Overdag was het rustig, er gingen weinig jongens naar de wal toe,
maar dat was te begrijpen. 's Avonds kwam plotseling een jonge
luitenant ter zee 3e klasse aanrennen, die me opdracht gaf hem naar
het schip te brengen. Het bleek dat de voorzitter bezweken was
onder de loden last van zijn ,,geweten" en de commandant had
gewaarschuwd, die druk aan het feesten was in de KNIL-cantine. Deze
beschouwde het hele voorval als een kostelijke grap, maar stuurde
om gedekt te wezen, een van zijn ondergeschikten, die ik nu naar
het schip bracht. Toen wij langszij kwamen, leek het wel of de hel
was losgebroken. Indonesiërs met geweren bewapend hadden het
schip bezet, en de nog aanwezige officieren naar het achteruit
gejaagd. Sluitstukken van kanonnen bonkten, munitieliften ratelden,
zoeklichten floepten aan en uit. Beneden gaven Paradji en Gosal (de
leiders) bevelen, of ze nooit anders gedaan hadden, en in de
munitiebunkers werden 15-centimeter-granaten versjouwd of het een
heilige zaak gold.
Bij het gezicht van de gewapende Indonesiërs schoot me één overheersende gedachte door het hoofd: als er maar geen doden vallen! Ik rende naar achteren en trof er een aantal officieren in zak en as aan, die me toesnauwden dat ik maatregelen moest treffen en de situatie redden. Probeer in deze omstandigheden maar eens iets te regelen of te redden. Niettemin beloofde ik mijn best te doen en ik zag ze zichtbaar met hun staart kwispelen. Natuurlijk viel er niets te doen. De Indonesiërs hadden de zaak stevig in handen, Ik bezwoer hen niet te schieten en kreeg na veel moeite de belofte los dat de wapens niet gebruikt zouden worden, als de officieren zich maar koest hielden.
Een van de ,,helden" probeerde toch nog naar de radiohut te sluipen en ik kon nog net voorkomen, dat hem het levenslicht werd uitgeblazen, ,,Hè, wat jammer, korporaal", zei een van de Indonesiërs spijtig, ,,Het was net zo'n hond."DE muiterij was een enorme klap voor het koloniale regime, Haar politiek van ,,verdeel en heers" had volledig gefaald. Niet alleen had ze een sterke tegenstelling tussen Europees en Indonesisch personeel geschapen, maar ook tussen de verschillende Indonesische bevolkingsgroepen onderling. Een Menadonees had een hogere salariëring als een Ambonnees en deze had weer meer als een .Javaan. Maar nu hadden de Indonesiërs alle scheidingen overboord gegooid en werkten eendrachtig om de ,,Zeven Provinciën" naar Soerabaja te krijgen. En dan de klap die het blanke superioriteitsgevoel kreeg: De voorstelling, dat Indonesiërs alleen maar minderwaardige baantjes konden opknappen, werd volledig gelogenstraft. Zonder enige zeevaartschoolopleiding nam de matroos Paradji de leiding over het schip. Als navigator fungeerde matroos le klasse Kawilaran, waarbij heel wat Europese navigatie-officieren nog een lesje konden nemen. Verder zaten nog in de leiding de telegrafist Rumambi, de stoker-olieman Hendrik en korporaal-ziekenverpleger Gosal.Gedurende de nacht had ik de wacht in de machinekamer op mij genomen. Ik voelde me hondsmoe, maar van slapen zou de komende tijd wel niet veel komen.
De volgende dag probeerden de officieren onderhandelingen aan te
knopen met de Indonesiërs, die daar echter geen barst voor
voelden. Zij waren nu de baas aan boord, en zij waren zich daarvan
goed bewust. Het enige waar zij in toestemden was, dat de
commandant voor Soerabaja aan boord kon komen en eerder niet.
Inmiddels kregen we een gouvernementsstomertje, de ,,Aldebaran" in
zicht, afgeladen met soldaten en de rest van de officieren, die op
deze wijze weer aan boord wilden komen. Het was verrassend te zien,
hoeveel snelheid het scheepje ontwikkelde om weg te komen, toen
Paradji er een paar 15-centimeter-kanonnen op liet richten.
De officieren achteruit schikten zich nu in het onvermijdelijke en
gaven het Europese machinekamerpersoneel zelfs officieel
toestemming hun werk te doen, .,aangezien er toch niets anders op
zat".
De telegrammen die de seinkamer overstroomden met bevelen om ons
over te geven werden beantwoord in de geest van ,,Stomen op naar
Soerabaja. Actie bedoeld als protest tegen salarisverlaging en
gevangen marinemannen".
Vier dagen lang gebeurden er eigenlijk geen schokkende dingen.
Op de 5e dag kregen wij echter een eskader van de
Nederlandsindische vloot in zicht Van de kruiser ,,Java" kwam het
bevel de witte vlag te hijsen, maar de leiding van de ,,Zeven
Provinciën" weigerde vierkant en stuurde een telegram terug:
,,Stomen op naar Soerabaja. Wensen niet gehinderd te worden".
Ik drong aan op overgave, omdat we geen schijn van kans hadden. De
,,Zeven Proviniën" was een van de oudste schepen van de vloot,
langzaam als een slak, zonder enige luchtafweer en in de lucht
hadden we een eskader Dornier-bommenwerpers ontdekt. Het was
duidelijk, dat niet overgeven tot bloedvergieten zou leiden. Mijn
pogingen waren echter nutteloos en ik liep de commandobrug
af. Ik was er misschien 10 meter van verwijderd, toen de bom viel:
temidden van een groep mensen, die naar de vliegtuigen hadden staan
kijken, Een vuurzuil spoot van de brug omhoog: De luchtdruk smeet
me tegen het dek en haastig zocht ik dekking, De andere
bommenwerpers vlogen echter over, zonder hun bommen te lossen. Ik
rende terug naar de brug. Tranen sprongen me in de ogen. Daar lagen
ze. Jongens, kinderen nog. Enigen stonden in brand.
Anderen wentelden zich met afzichtelijke wonden in hun bloed. Een
kameraad van me, een tamboer, had een vuistgroot gat in de
borst.
Daar de machinisten altijd ingedeeld zijn bij de brandweer,
snelde iedereen naar zijn post en werd de brand snel geblust.
Daarna telden we de slachtoffers. Het grootste deel van de leiding
was gedood, Kawilaran en Rumambi ernstig gewond.
Pas toen de brand geblust was durfden de officieren uit het
achteruit te komen. Maar de dokter weigerde de gewonden te
behandelen ,,voor zij onder arrest gesteld waren".
Sloepen met gewapende manschappen kwamen langzij en begonnen ons te
arresteren.
De muiterij op de ,,Zeven Provinciën" was
geëindigd.....
De wraak van de kolonialisten kon beginnen.
NATUURLIJK was het voor de autoriteiten onmogelijk te erkennen,
dat de Indonesiërs de leiding hadden gehad Dat kon niet, dat
mocht niet, ,,Ze zijn nog te stom om stuurboord van bakboord te
onderscheiden", had de commandant in Oleh-Leh gezegd en welk een
invloed zou het hebben op het zelfbewustzijn van het Indonesische
volk, als het zou horen dat een doodgewone matroos dezelfde
bekwaamheden had als een met goud bestikte ,,Toewan blanda", De
Hollanders aan boord hadden dus de muiterij georganiseerd en
geleid, besliste de Marineleiding, en alles werd in het werk
gesteld om de feiten aan te passen aan deze voorstelling.
Het was dus een situatie, waarin ,,Barbertje moest hangen" en het
Barbertje dat het hoogst moest hangen, was ik. Was ik geen
voorzitter van de Marinebond? Had ik niet aangedrongen op
samenwerking met de Indonesische schepelingen? Had ik niet de
radiohut bezet? Had ik niet... enfin, niet de feiten, maar de
Marineleiding stelde vast wat er gebeurd was.
Iedere bewering van ons bij het vooronderzoek, dat niet in het
patroon van de Marineleiding paste, werd beantwoord met: ,,Sluit
die kerel in de boeien". Elke verzachtende omstandigheid die we
naar voren haalden, had een ,,Je liegt natuurlijk" tengevolge en
werd als niet terzake doende opzij geschoven.
De leugens van de officieren werden echter voor zuivere waarheid
aangenomen. En óf die kerels logen. Natuurlijk deden ze dat,
Als zij onze verklaringen beaamden, zou heel hun Iaffe en zielige
houding tijdens de muiterij aan het licht zijn gekomen en daar
pasten de heren wel voor op. Verklaringen van ons ontkenden zij
glashard of ze ,,konden het zich niet meer herinneren", wat voor
ons op hetzelfde neerkwam.
Tenslotte werd het zelfs zo gek met het onderzoek, dat een der
officieren, tegelijk als getuige à charge, als beklaagde en
als leider van een deel van het vooronderzoek optrad. We werden er
niet meer warm of koud onder. We beseften dat dit niets meer met
recht te maken had en probeerden ons in de omstandigheden te
schikken. En die omstandigheden waren beroerd genoeg. We werden van
de ene naar de andere gevangenis gesleept, als misdadigers
behandeld. als moordenaars aan elkaar geketend.
Tenslotte de comedie voor de krijgsraad. We lieten ons echter
niet intimideren, ondanks het feit dat we wisten tegen de bierkaai
te vechten, beten we stevig van ons af.
In totaal werden 644 jaar tegen ons geëist, Tegen mij 16 jaar,
We vertrokken geen spier, en de heren achter de groene tafel waren
zichtbaar teleurgesteld over onze houding.
In ieder geval smaakte ik de vreugde na 9 maanden eenzame
opsluiting weer bij mijn kameraden te komen. Voor het Hoog Militair
Gerechtshof in hoger beroep. Weer dezelfde comedie. Mijn
,,raadsman" (die ik met nog 19 andere beklaagden deelde) drong aan
op clementie. Maar we wilden helemaal geen clementie, wij wilden
RECHT, Bij het slotwoord verdedigde ik me tenslotte zelf en kreeg 6
jaar van mijn straf af. De uitspraak was ,,slechts" 10 jaar....
Terug naar Holland. Drie jaar opsluiting in Leeuwarden. Onder
één dak met moordenaars, maar in een hemel vergeleken
met de Indonesische gevangenissen. Voordat de direkteur er ook maar
iets van wist, deden er eind 1936 geruchten de ronde dat we gratie
zouden krijgen, als Prinses Juliana in het huwelijk zou
treden. Niemand had dan ook zo'n belangstelling voor het wel en wee
van Prins Bernhard als wij, toen hij met zijn wagen tegen een
zandauto opvloog. De geruchten bleken waarheid te bevatten. Bij het
huwelijk kregen we een derde strafvermindering en de rest als
voorwaardelijk. Een aantal van onze Indonesische kameraden is
echter pas vrijgelaten, toen in 1942 de Japanners Indonesië
bezetten.