NRC 22 JANUARI 2000

Hun ballingschap duurt al een half leven. Als Suharto de macht niet had gegrepen, waren ze misschien minister geweest, of ambassadeur. Nu hebben ze een uitkering en wonen in een flat, in de Bijlmermeer of elders. Ruim honderd Indonesische ballingen hoorden deze week dat ze mogen terugkeren naar hun vaderland. Maar of ze gaan?

Verloren zonen


Mariël Croon Jeroen van der Kris

Officieel ben ik dood. Mijn dochter heeft verteld dat ik al jaren geleden overleden ben." Zijn vrouw en kinderen bleven achter in Indonesië toen A. Munandar in 1965 voor studie naar de DDR vertrok. Sindsdien leeft hij in ballingschap, gescheiden van zijn gezin. ,,Kom maar niet terug, het is hier niet veilig", liet zijn vrouw hem weten, nadat Soeharto in het najaar van 1965 de macht had gegrepen. Munandar, nu 75, sympathiseerde met de communistische partij PKI. Via China belandde hij in 1985 in Nederland. Aan de muur van zijn flatwoning in de Rotterdamse wijk Ommoord hangen foto's van zijn kinderen en kleinkinderen die nog in Indonesië wonen.
Deze week kwam de Indonesische minister van Justitie, Yusril Ihza Mahendra, naar Nederland om Munandar en ruim honderd andere ballingen te vertellen dat ze kunnen terugkeren naar hun vaderland. Hoewel hij overtuigd is van de oprechtheid van de huidige Indonesiche regering, twijfelt Munandar of hij definitief terug zal gaan. ,,Als ik ga," zegt hij, ,,dan wil ik economisch zelfstandig zijn. En dat is moeilijk op mijn leeftijd." Wat gebeurt er bijvoorbeeld met zijn AOW als hij het Nederlandse staatsburgerschap, dat hij nu heeft, verwisselt voor het Indonesische? ,,Dat moet duidelijk zijn." En er zijn nog anticommunistische wetten, waardoor veel ballingen hun burgerrechten hebben verloren, die moeten worden afgeschaft.
Ze waren allemaal in het buitenland toen Soeharto in oktober 1965 de macht greep. Ze waren hoogopgeleid, werkten op een ambassade, studeerden op een beurs aan een buitenlandse universiteit of ze maakten deel uit van de grote Indonesische delegatie van onder meer parlementsleden, die in Peking de  Oktoberrevolutie vierde op uitnodiging van de Chinese regering. Sommigen waren communist, anderen werkten voor de regering van Soekarno. En dat was destijds in Indonesië voldoende reden om iemand op te sluiten, naar het strafkamp op het Molukse eiland Buru te verbannen, of te vermoorden. De schattingen lopen uiteen, maar historici houden het aantal mensen dat in de eerste maanden nadat Soeharto de macht aan zich trok, is omgebracht op 1,2 miljoen. Wie toevallig in het buitenland verbleef, keerde dus niet terug.
Vijfhonderd van die ballingen wonen nog steeds in Europa. Vorige maand vroeg onze correspondent in Indonesië Dirk Vlasblom president Abdurrahman Wahid naar hun lot. ,,Hun rechten moeten worden hersteld", zei Wahid. Hij vertelde dat hij een brief had gestuurd aan de ambassades in het buitenland met het verzoek de ballingen te registreren. ,,Wie terug wil, is welkom." Die boodschap kwam de minister van Justitie, in naam van de president, deze week in Den Haag overbrengen.
Ze waren blij, de ballingen die - ook uit Frankrijk, Zweden en Duitsland - naar de bijeenkomst op de Indonesische ambassade waren gekomen. Het was, na vijfendertig jaar voor landverrader te zijn uitgemaakt, hun eerste ontmoeting met een lid van de Indonesische regering sinds de omwenteling in 1965. Hun eerste ontmoeting ook met de Indonesische ambassadeur in Nederland. Voorheen togen ze alleen naar de ambassade om te demonstreren. Dit keer kwamen ze er op uitnodiging. Het was een gesprek met de ballingen ,,van hart tot hart", zei de minister. ,,Van verzoening."
,,Eindelijk", zegt mevrouw M. Isa-Suwardi (70). Samen met haar man woont ze op de zesde verdieping van een flat in de Amsterdamse Bijlmermeer. Ze had erg uitgekeken naar het bezoek van de minister, maar op de dag zelf had ze hoofdpijn - ,,van de zenuwen" - waardoor ze de bijeenkomst niet kon bijwonen. ,,Er is ons zoveel onrecht aangedaan", zegt ze. ,,We zijn persona non grata. Statenloos. Al die jaren hebben we nauwelijks contact gehad met onze familie in Indonesië. Dan
zouden we hen in gevaar brengen."

Sluipende staatsgreep
Het gezin Isa woonde destijds in Kairo, waar I. Isa (69) werkte voor de internationale Afro-Aziatische beweging. Op zijn vijftiende had hij gevochten in de onafhankelilkheidsstrijd tegen Nederland. Later steunde hij de vrijheids-strijd in Afrikaanse landen en was hij adviseur van de Indonesische minister van Buitenlandse Zaken. Het nieuws over de staatsgreep hoorde hij in Bangkok. ,,Ik was op doorreis naar Jakarta, waar ik een internationaal congres had georganiseerd. Het is gewoon doorgegaan, ik heb Jakarta nog bereikt.
Dat was mogelijk omdat het een 'sluipende staatsgreep' was, verteld Isa. Stap voor stap veroverde generaal Soeharto de macht op president Soekarno, die formeel nog in het zadel zat. Het begon met de '30-septemberbeweging': jonge officieren die de strijd wilden aanbinden tegen hun meerderen, uit angst dat die een coup zouden plegen tegen president Soekarno. Toen het plan uitlekte, zag Soeharto zijn kans schoon. Begin oktober 1965 ruimde hij de jonge officieren uit de weg, net als alle anderen die loyaal waren aan de regering van Soekarno. Maatschappelijke organisaties werden verboden. ,,Ik zag dat de een na de ander werd gearresteerd", zegt Isa, ,,de communisten als eersten. Wie echt belangrijk was, werd meteen vermoord."
Hoewel Isa geen lid was van de communistische partij - ,,ik ben vooral democraat" - durfde hij na afloop van het congres in Jakarta niet langer in het land te blijven. Hij keerde terug naar zijn gezin in Kairo, tot opluchting van zijn vrouw die al vreesde voor zijn leven.
De ballingen vertellen hun verhaal zonder drama. Munandar toont zich steeds weer de politicoloog die hij was voordat zijn ballingschap begon: ,,Het marxisme was een van de pilaren van de Indonesische staat. Ik kon me niet voorstellen dat de PKI verboden werd."
Mevrouw D. Siregar-Samosir (72) was destijds lid van de progressieve vrouwenbeweging, de Gerakan Wanita Indonesia, een mantelorganisatie van de PKI. Ook die was door Soeharto verboden. Ze herinnert zich dat er na de staatsgreep vrouwen werden gearresteerd of vermoord. Zelf bivakkeerde ze op telkens wisselende adressen in Jakarta - er waren huiszoekingen. ,,De solidariteit onder vrouwen was groot, we hebben elkaar nooit verraden", zegt ze in een ruim appartement in de Bijlmermeer. Ze vertelt in het Indonesisch, terwijl haar man vertaalt. Hij was destijds ambtenaar aan het ministerie voor Transmigratie, Coöperatie en Plattelandsontwikkeling. Tijdens de coup verbleef hij in Oost-Berlijn, waar hij economie studeerde op uitnodiging van de Oost-Duitse regering. Via vrienden hoorde zij dat haar man werd gezocht. In 1996 slaagde ze erin om naar Oost-Duitsland te ontsnappen en zich bij haar man te voegen. Hun geadopteerde zoon van 21 bleef achter.

Landverrader
Niemand in de Indonesische diaspora die er rekening mee hield dat de ballingschap meer dan dertig jaar zou duren. Munandar: ,,We dachten dat de orde snel hersteld zou worden." Ze gingen daarom door met hun werk of studie. Totdat de ambassadeurs, en enkele anderen, na een paar maanden bezoek kregen uit Indonesië. Of ze een document wilden tekenen, waarin ze verklaarden afstand te nemen van de regering-Soekarno en nu Soeharto te steunen. Wie weigerde, was vanaf dat moment vluchteling.
Voor I. Isa kwam dat moment in januari 1966. Vanuit Kairo bezocht hij een internationaal congres in Havana over de strijd tegen het imperialisme, dat hij zelf had georganiseerd. Ook de nieuwe regering in Jakarta had daar een afvaardiging naartoe gestuurd. ,,Jullie kunnen de waarheid over ons land niet vertellen", zei Isa tegen de delegatie uit Jakarta, ,,dus doe ik het wel." Daarna verscheen zijn foto in de Indonesische kranten. Isa: ,,Ik werd gebrandmerkt als landverrader." In Kairo circuleerde inmiddels het gerucht dat de Indonesische regering plannen beraamde om in Egypte zijn hoogzwangere vrouw en kinderen te gijzelen met het doel Isa naar Indonesie te lokken. Personeel van de Chinese ambassade heeft hen in stilte naar Peking overgebracht, waar hij al uit Havana was gearriveerd.
In Peking woonden al honderden ballingen. Onder het bewind van Soekarno waren de betrekkingen tussen beide landen altijd hartelijk geweest. China bood de Indonesiers daarom gastvrijheid. Aanvankelijk verbleven de ballingen in het koude Peking, later mochten ze naar een zuidelijker provincie vertrekken, waar het klimaat meer leek op dat van hun moederland. I. Siregar (77) deed in die jaren aan zelfstudie - hij las over de Chinese revolutie en maakte excursies in de provincie. Zijn vrouw was tot weinig in staat. Ze werd depressief; sliep slecht, en lag regelmatig in het ziekenhuis. In 1978 stierven haar moeder en hun zoon, zonder dat de Siregars hen nog hadden gezien. Corresponderen kon alleen via Duitsland. Hun zoon liet een vrouw met twee kleine kinderen achter - hij was pas tweeëndertig toen hij ziek was geworden. Het laatste teken van leven was een brief uit 1967. 'Papa goodbye', had hij geschreven, 'nu kun je eindelijk zo veel studeren als je wilt'.
Net als Siregar verruilde ook Munandar de DDR voor China. Dat was dichter bij huls, zegt hij. ,,Mijn doel was terug te gaan naar Indonesië." Contact met zijn vrouw en kinderen had hij nauwelijks, omdat die geen brieven durfden te sturen naar China. Munandar: ,,Via via kreeg ik alleen vage boodschappen als 'ze leven nog' en 'het is moeilijk'. Munandar studeerde in China Mandarijns en geschiedenis. Zijn vak - hij was leraar - uitoefenen kon hij niet ,,Door de Culturele Revolutie was alles in de war. Bestuurders van een instelling konden morgen zijn vervangen. Bovendien werden buitenlanders verdacht van spionage."

Bolwerk van ballingen
De~ Culturele Revolutie was voor meer Indonesiërs reden China te ontvluchten. In de jaren tachtig vertrokken de eersten naar Europa. Een van hen stichtte in Parijs, met financiële steun van Danielle Mitterrand, de echtgenote van de toenmalige Franse president, het Restaurant Indonesia. Daar werden lezingen en debatten over Indonesië gehouden. Het werd het bolwerk van de ballingen. Er werd een krantje uitgegeven met Indonesisch nieuws, dat de ballingen overal in Europa ontvingen. Inmiddels heeft Internet die functie overgenomen.
Wegens de historische banden streken veel ballingen neer in Nederland. ,,Ik sprak al Nederlands, dat had ik geleerd op de HBS", zegt Munandar. In de Amsterdamse Bijlmermeer zetelt de Persaudaraan, de Broederschapsbeweging, waar ze elkaar treffen. Toen Munandar in Nederland kwam, was hij te oud om nog te werken. Hij volgt nu af en toe lezingen over politieke en sociale onderwerpen. Zijn flat heeft hij ingericht met meubels die hij kreeg van onder meer Amnesty International. Nederlanders die van een Aow-uitkering leven noemen zich arm, zegt hij. Maar hij voelt zich dat niet. ,,Het is wat je gewend bent. Ik houd nog geld over om naar mijn fanillie in Indonesië te sturen."
Ze zijn allemaal dankbaar voor de geboden gastvrijheid, eerst van China, later van Nederland. ,,Nederland heeft mij als een pleegzoon ontvangen", zegt Siregar. Hij heeft economie gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. In april promoveert hij, met een lijvig proefschrift, op de recente economische hervormingen in China - de overgang naar een markteconomie. Zijn vrouw heeft nog steeds 'psychosomatische klachten', gebruikt daarvoor medicijnen en slaapt slecht. ,,Ze verlangt zo naar gezelligheid", zegt Siregar. ,,We zijn in Europa nog nooit op vakantie geweest. Ons inkomen is net genoeg om mijn studie van te betalen." Wel zijn ze in 1993, toen ze eenmaal een Nederlands paspoort hadden, teruggekeerd naar Indonesië. Voor twee maanden, heel voorzichtig. Ze logeerden in een hotelletje buiten de stad om de familie niet in gevaar te brengen. Een familiefoto aan de muur, waar de twee kleinkinderen op staan, dient als souvenir.
De Isa's zijn al vaker teruggegaan. Zij als eerste, in haar eentje, om de situatie te verkennen. ,,Ik liep minder gevaar. Voelde me een vreemde in eigen land, herkende Jakarta niet meer." Hij had 'gemengde gevoelens' toen hij in l994 meeging. ,,Ik was verdrietig en gelukkig. Daar liggen mijn wortels, maar mijn broer en zus waren inmiddels gestorven, ik had veel collega's verloren door de omwenteling."
Munandar, die bijna dertig jaar was gescheiden van zijn vrouw en kinderen, keerde ook in 1994 voor het eerst terug naar Indonesië. Zijn kinderen - nog steeds bang- raadden het hem aanvankelijk af. Kom maar niet, zeiden ze, wacht maar af ,,Maar ik was al zeventig jaar", zegt Munandar. ,,Ik dacht: als ik het nu niet doe, ga ik nooit meer terug." Voor de buren van zijn familie was hij - uit veiligheidsoverwegingen - 'een oom uit Nederland'. Munandar: ,,Mijn dochter werkt voor een regeringsinstantie. Ze heeft gezegd dat haar vader al jaren geleden overleden is, anders zou ze zijn ontslagen."
Nu ligt er het aanbod dat ze hun Indonesische staatsburgerschap terug kunnen krijgen. ,,Ik ben de verloren zoon van Indonesië", zegt Siregar. Maar dat betekent niet dat de ballingen meteen willen terugkeren. Het gevaar is nog niet geweken, denken ze, want president Abdurrahman Wahid is nog maar kort aan de macht. Er kan nog van alles misgaan. En er is te veel gebeurd. Na een half leven in ballingschap hebben de Indonesiërs zich bovendien aangepast. Siregar twijfelt: ,,Mijn buik is Nederlands, mijn ratio is Nederlands, mijn veiligheid is in Nederland. Maar mijn hart is in Indonesië." De ballingen hebben aan de Indonesische minister drie voorwaarden gesteld, zegt hij. Eerherstel is het belangrijkste. ,,Onze namen zijn bezoedeld." Daarnaast willen ze herstel van hun burgerrechten en zekerheid over hun sociale voorzieningen.
Munandar, die zijn vrouw en kinderen inmiddels drie keer opzocht, twijfelt ook. Toen hij in Jakarta terugkeerde, zag hij dat daar nu ook wolkenkrabbers staan. Maar door de verschillende ervaringen van de afgelopen decennia zijn zijn vrouw en hij van elkaar vervreemd. ,,Dat kun je niet meer overbruggen", zegt hij. ,Als ik terugga, zou dat niet betekenen dat we weer een gewoon huwelijksleven hebben. We zijn het erover eens dat we nu vrienden zijn."
Vertrouwen hebben ze wel - in de regering Wahid. Isa heeft president Wahid nog in de klas gehad. ,,Hij was een scherpe leerling", zegt hij. En Wahid heeft de steun van het volk. Hij gelooft daarom niet in een coup door het leger, maar in het herstel van de democratie. ,,Ik ben gelukkig, want de democratie is in wording", zegt hij. Dat hij op een flat in de Bijlmer zit, terwijl hij vroeger
een goede positie had, deert hem niet. ,,Ik leef vanwege mijn idealen, en als ik wat nodig heb, krijg ik het van de kinderen." Siregar heeft er meer moeite mee. ,,In Indonesië had ik een goede positie, het was mijn droom om nog hogerop te komen. Nu ben ik uitkeringstrekker. Als er geen omwenteling was geweest, was ik misschien minister." En zijn vrouw, wat was dan haar droom geweest? Verwonderd: ,,Dan was ik nu natuurlijk de vrouw van de minister."

Met medewerking van Olaf Oudheusden en Dirk Vlasblom.