1
Hoe verklaart u de tegenstrijdige verklaringen van Kolonel De Mars,
toenmalig Nederlands militair attaché, en toenmalig Nederlands ambassadeur
Paul Brouwer over hun kennis vooraf van de militaire operatie op 9 mei
1996 in Geselema, Irian Jaya? 1)
2
Klopt het dat kolonel De Mars bij elk overleg met zijn Britse collega
Helberg en Indonesische militairen van KOPASSUS in Timica betrokken is
geweest?
3
Hoe beoordeelt u de verklaring van Ivor Helberg, toenmalig Brits militair
attaché dat Westerse huurlingen wel degelijk in Timica aanwezig
waren?2)
4
Bent u bereid uw Britse collega te vragen de door Engeland gemaakte
evaluatie van de gijzelings- en bevrijdingsactie in Irian Jaya ter beschikking
te stellen en aan de Kamer te doen toekomen?
5
Hoe beoordeelt u de verklaring van Nick van den Berg, toenmalige leider
van Executive Outcomes dat vijf huurlingen van zijn organisatie in Timica
aanwezig waren, adviezen hebben gegeven aan KOPASSUS en de Nederlandse
en Britse militaire attachés en een helicopter-aanvalsteam getraind?
6
Bent u bekend met het feit dat het ICRC een onderzoek heeft ingesteld
naar de toedracht van de bevrijdingsacties omdat zij de verklaringen in
het IHRSTAD rapport over het gebruik van de Rode Kruis helicopter voldoende
serieus vonden? 3)
7
Bent u, gezien de intensieve Nederlandse betrokkenheid bij deze kwestie,
bereid contact op te nemen met het ICRC de resultaten van dit onderzoek
te bespreken? Zo nee, waarom niet?
8
Waarom wilt u geen oordeel geven over het rapport van IHRSTAD over
de bevrijdingsacties en met name de daarin vermeld getuigenverklaringen
over het gebruik van een Rode Kruis helicopter en de betrokkenheid van
blanke huurlingen? 4) Bent u bereid dit alsnog te doen?
9
Welke bronnen heeft u gebruikt voor uw antwoord 4)
op eerdere kamervragen dat u niets is gebleken van het gebruik van een
Rode Kruis helicopter en huurlingen? Bent u bereid bronnen die het tegenovergestelde
beweren te betrekken bij een hernieuwde beoordeling?
10
Hoe beoordeelt u de verklaring van ICRC medewerker Silviana Bonadei
dat er op 8 mei geen sprake was van het beëindigen van de onderhandelingen
over vrijlating van de gijzelaars en de afspraak dat het ICRC op 9 mei
zou terugkeren om deze onderhandelingen te hervatten? Hoe verhoudt zich
deze verklaring met uw antwoord 4) op eerdere gestelde
kamervragen en de verklaring van ambassadeur Brouwer over deze kwestie
dat het Rode Kruis op 8 mei had besloten dat verdere bemiddeling zinloos
was?
1. VPRO Argos, Radio 1,5 november 1999 (11.00-12.00 uur)
2. De Australische documentaire 'Blood on the Cross'
van Mark Davis
(transscript op www.abc.net.au/4corners/stories/s39706.htm)
3. Persbericht ICRC, Geneve, 27 augustus 1999
4. Aanhangsel Handelingen nr. 358, Vergaderjaar 1999-2000
Antwoord van minister Van Aartsen (Buitenlandse
Zaken).
(Ontvangen 18 februari 2000), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 586,
vergaderjaar 1999-2000
1
Er is geen tegenstelling tussen de verklaringen van beiden.
Hoewel de militaire actie niet meer als een verrassing kwam, waren
noch ambassadeur Brouwer, noch kolonel De Mars vooraf op de hoogte gebracht
van de bewuste actie en het tijdstip waarop deze plaats zou vinden. Op
basis van het vele overleg dat ambassadeur Brouwer in Jakarta en kolonel
De Mars ter plekkemet de Indonesische overheid hadden, kon worden aangenomen
dat KOPASSUS (Indonesische militairen) na het afbreken van de onderhandelingen
een militaire actie ernstig overwoog.
2
Het is aannemelijk dat er, als in dergelijke situaties gebruikelijk,
ook vertrouwelijk intern overleg binnen KOPASSUS was. Bij dergelijk intern
overleg waren kolonel de Mars en zijn collega Helberg niet betrokken.
3
Ivor Helberg verklaart in het tv-programma waaraan de vraag refereert
dat er velen zijn die hun diensten als huurling hadden aangeboden, maar
«dat hij zich niet voor kon stellen dat de Indonesische of Britse
regering de medewerking van een derde partij zou zoeken». Ook de
Nederlandse regering heeft geen contact met huurlingen gezocht en zich
niet van huurlingen bediend.
4
Uit navraag bij het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt
dat er geen evaluatierapport voor publicatie beschikbaar is.
5
Ten tijde van de gijzeling waren bij het Ministerie van Buitenlandse
Zaken, noch Ambassade Jakarta, noch bij de defensie-attaché ter
plekke, aanwijzingen bekend die duiden op betrokkenheid van Executive Outcome
bij de gijzelingszaak.
Eerst later werden dergelijke geruchten bekend, als ook door het Australische
TV-programma naar buiten zijn gebracht.
6 en 7
Ik ben bekend met de persverklaring die het ICRC op 27 augustus heeft
uitgegeven naar aanleiding van de rol van het ICRC tijdens de gijzeling.
Deze verklaring besluit met de conclusie dat het ICRC geen directe
getuigen of duidelijke bewijzen heeft gevonden voor het gebruik van een
helicopter met Rode Kruis-symbolen tijdens de bevrijdingsactie. Het onderzoek
dat het ICRC heeftingesteld zal naar verwachting in februari worden afgerond.
Naar aanleiding van het onderzoeksresultaat zal ik bezien of eventueel
nader overleg met het ICRC nuttig is. Ik zal het onderzoeksresultaat doorzenden
aan de Kamer.
8
Ik acht de poging van IHRSTAD licht te doen schijnen op de gebeurtenissen
weliswaar op zich waardevol, maar uiteindelijk beperkt bruikbaar. Uit het
rapport blijkt immers dat het zeer gecompliceerd is eenduidige aanwijzingen
te vinden die de verschillende getuigenverklaringen bevestigen. Bovendien
blijken verscheidene getuigenverklaringen vaak tegenstrijdig. Mede in het
licht van deze tegenstrijdige verklaringen wacht ik verdere resultaten
van het onderzoek af dat het ICRC zelf heeft ingesteld.
9
Voor de beantwoording zijn de archieven van het Ministerie, handelende
over de bewuste gijzeling geraadpleegd en is kennis genomen van de inhoud
van de bewuste aflevering van het VPRO-radioprogramma ARGOS. Voorts zijn
toentertijd betrokken ambtenaren, alsmede ambassadeur Brouwer geraadpleegd.
Kolonel De Mars is reeds buiten dienst. Deze is voor de beantwoording van
deze vragen overigens wel geraadpleegd. Ik ben uiteraard bereid kennis
te nemen van nieuwe bronnen.
10
In de persverklaring van 27 augustus 1999 wordt duidelijk beschreven
dat het ICRC op 8 mei 1996, bij monde van ICRC-afgevaardigde Henry Fourrier
aan Kwalik, de belangrijkste gijzelnemer, mededeelde dat het ICRC zelf
geen bemiddeling meer nastreefde omdat Kwalik zijn woord niet hield en
de gijzelaars niet als beloofd vrijliet. Aan Kwalik werd toen ook meegedeeld
dat de vrouwelijke ICRC-afgevaardige (Sylviana Bonadei) in het gebied zou
blijven en na enkele dagen wederom contact zou zoeken met Kwalik om zonodig
medische hulp te kunnen verlenen aan de gijzelaars (onder hen bevond zich
de Nederlandse Martha Klein die op dat moment ruim zeven maanden in verwachting
was). Het ICRC heeft toen voorts aan Kwalik verteld (als ook in de ICRC
persverklaring van 9 mei aangegeven) tot zijn beschikking te blijven. Indien
hij zelf zou aangeven van gedachten te zijn veranderd, zou het ICRC dan
weer een mediërende rol kunnen spelen bij de vrijlating.